Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Volkstuinen in Zuid-Holland

Door Timo Waarsenburg

‘Laantjes, zijlaantjes, koolaspaden, uitlopend op ingewikkelder kruispunten dan in wat voor steden ook te aanschouwen, en overal op de magere, schrale akkertjes tuinhuisjes…’ – schrijft Maarten ’t Hart, fervent tuinier te Warmond, in zijn roman ‘De Droomprinses’. Zijn beschrijving van volkstuinen roept een verstild beeld op uit vervlogen tijden. Mooi, maar ook nu zijn volkstuinen nog steeds interessante en levendige plekken met een heel eigen geschiedenis. In verschillende opzichten kunnen ze tot ons culturele erfgoed worden gerekend. 

undefinedATV Nut en Genoegen in Den Haag, opgericht in 1917 

Volkstuinen lijken wellicht een typisch Nederlands fenomeen, maar je kunt ze overal in Europa en zelfs daarbuiten vinden. Zo heb je in Engeland de Allotment Gardens, bewerken de Fransen Jardins Ouvriers en kent Duitsland de Kleingärtner. Volkstuinen in Nederland lagen van oudsher in of rond steden, maar inmiddels zijn ze overal te vinden. Van al die volkstuinen is ongeveer de helft aangesloten bij het Algemeen Verbond van Volkstuinverenigingen in Nederland (AVVN). De andere helft niet, en daarom is het onmogelijk om heldere cijfers te geven over het aantal volkstuinverenigingen, -complexen en -tuinen in ons land. Wel staat vast dat in Zuid-Holland van alle provincies het grootste percentage landoppervlak als volkstuin in gebruik is: ruim 1350 hectare, omgerekend een slordige 2000 voetbalvelden.

Coelghaerden
In de Middeleeuwen verbouwden vooral geestelijken en edelen voor eigen gebruik groenten bij hun kloosters en kastelen of op hun landgoederen. Het tuinieren voor eigen consumptie werd in de veertiende eeuw ook door andere bevolkingsgroepen ontdekt. De in die dagen veelvuldig verbouwde kool werd zelfs de naamgever van deze tuinen: Coeltuinen of Coelghaerden.

undefined

Lente door Nicolaes de Bruyn, datering 1581-1599 (Collectie Rijksmuseum)

Laanorganisaties en ‘speculatie-thuyntjes’
In de zeventiende eeuw ontstonden de eerste volkstuincomplexen in Rotterdam toen particulieren met elkaar stukken land buiten de stad kochten. Door de aanleg van lanen werd deze grond opgedeeld in percelen en de gebruikers van die tuintjes onderhielden het complex gezamenlijk. Dit soort volkstuinderijen werd bekend als ‘laanorganisaties’. Hoewel de gebruikers er voornamelijk groente voor eigen gebruik verbouwden, is het zeer waarschijnlijk dat er ook al siergewassen werden geteeld.

Dat gebeurde bijvoorbeeld in de omgeving van Leiden waar tussen 1600 en 1700, net buiten de stadsmuren op het grondgebied van Leiderdorp en Zoeterwoude, particuliere tuinen werden aangelegd. Deze zogenaamde ’speculatie-thuyntjes’ werden ook ’gebruyckt tot recreatie’. De tuintjes waren niet zelden voorzien van een huisje en volledig ingericht als siertuin. Net als in Rotterdam, waar ook dergelijke tuinen werden aangelegd, waren ze bezit van welgestelde inwoners die zich een dergelijke luxe konden permitteren, maar toch geen geld genoeg hadden om een echte buitenplaats op het nabijgelegen platteland te kunnen betalen.

undefinedKaart van tuinen en een bleekerij aan de Vliet, Sijmon Aerntsz, 1599. Het betreft gronden langs de huidige Schelpenkade in Leiden vanaf de 3 Octoberstraat tot de Valdezstraat (Collectie Regionaal Archief Leiden)

De eerste arbeiderstuinen
Volkstuinen voor ‘het gewone volk’ ontstonden pas in de negentiende eeuw op initiatief van de in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Dit ‘Nut’, zoals het kortweg werd genoemd, was een organisatie van verlichte burgers die zich ten doel stelde om het ontwikkelingspeil en de levensomstandigheden van vooral de lagere sociale klassen te verbeteren.

In 1834 besloot een Nutsafdeling in Franeker tot de aankoop en verhuur van lapjes grond voor arbeiders. Dit Friese initiatief werd meteen een groot succes in het noorden en oosten van het land. In het westen en zuiden echter, is halverwege de negentiende eeuw nog geen arbeiderstuin te vinden. Dat veranderde pas na inspanningen van de Hoornse dominee Jan Bruinwold Riedel, die van 1887 tot 1915 secretaris van het Nut was. Volgens hem waren tuinen niet alleen een probaat middel ter bestrijding van armoede, maar droegen ze ook bij aan de ‘vergroting van het arbeidsvermogen’ en verbetering van de ‘zedelijke toestand’ van de Nederlandse werkman. Zijn oproep vond gehoor bij onder meer kerkbesturen, woningbouwverenigingen en de Volksbond tegen Drankmisbruik.

Ook zette deze boodschap de Bond van Nederlandsch Spoorwegpersoneel aan tot de uitgifte van langs het spoor gelegen stukjes grond waarop moestuintjes konden worden aangelegd. ‘Spoormensen’ konden hier tegen een geringe vergoeding hun eigen groenten telen. Voor de Spoorwegen was het ook een mooie manier om een deel van het onderhoud van de groenstroken langs het spoor uit handen te geven. De huurders van spoortuintjes mochten geen gewassen laten groeien die hinderlijk voor het uitzicht op de spoorweg zouden kunnen zijn. Ook waren ze verplicht het onderhoud van de sloten langs het spoor voor rekening te nemen. Op haar beurt behielden de Nederlandse Spoorwegen zich het genot van de jacht op het gehuurde nadrukkelijk voor.

Volkstuinen
In 1913 telde Den Haag al 270 tuinen, Rotterdam 243, Schiedam 128 en Leiden 114. Landelijk stond de teller op 2153. In datzelfde jaar 1913, nodigde het bestuur van de Haagsche Volkstuinen bestuurders en beheerders van volkstuincomplexen in het hele land uit om over de toekomst te spreken. Resultaat hiervan was het rapport ‘Over de stand der volkstuinen in Nederland’. Daarin werd voor het eerst onderscheid gemaakt tussen arbeiderstuinen, die bedoeld waren om in voedsel te voorzien, en volkstuinen, die arbeiders uit de stad wat frisse lucht, zon en vrijetijdsbesteding konden bieden. Nog geheel in de geest van het Nut waren beide tuintypen bij uitstek bedoeld om de armste bevolkingsgroepen te ondersteunen.

undefinedVolkstuinen ‘Ross-Heuvel’ in Scheveningen op een terrein bij de zwaaikom ca. 1910. Op de achtergrond de haven zelf. Foto: E. Visser van Weeren jr. (Collectie Haags Gemeentearchief)

De Eerste Wereldoorlog
De Eerste Wereldoorlog gaf het Nederlandse volkstuinwezen een flinke impuls. Nederland bleef weliswaar neutraal, maar kreeg als gevolg van de oorlog wel te kampen met voedselschaarste. Omdat er grote angst voor voedselrellen heerste, besloten veel gemeenten om extra grond voor de verbouw van groenten beschikbaar te stellen. De uitgifte van deze tuingronden en het gebruik ervan werd ook van rijkswege gestimuleerd om te voorkomen dat met het voortduren van de oorlog de lijst van levensmiddelen die op de bon waren nog groter werd.

Organisatie
Het aantal volkstuintjes in de steden groeide dus aanzienlijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Steeds vaker werden de stukjes grond rechtstreeks aan gebruikers verhuurd, zonder tussenkomst van maatschappelijke instellingen. Dit had tot gevolg dat er georganiseerd overleg tussen de huurders en verhuurders van de grond noodzakelijk werd en dat er steeds meer tuinverenigingen tot stand kwamen. Op landelijk niveau leidde dit in 1917 tot de oprichting van de Bond van Volkstuinders. Elf jaar later bundelde een aantal volkstuinverenigingen zich in het Algemeen Verbond van Volkstuin Verenigingen in Nederland (AVVN), dat als belangenbehartiger van alle volkstuincomplexen in het land ging optreden. 

undefined

Affiche voor een volkstuintentoonstelling in samenwerking met de Rotterdamse Bond van Volkstuinders in Diergaarde Blijdorp in Rotterdam, september 1943 (Collectie Stadsarchief Rotterdam)

De grootste zelfstandige koepelorganisatie van tuinverenigingen in Zuid-Holland is de Rotterdamse Bond van Volkstuinders (RBvV). Deze bond is opgericht in 1942 en behartigt de belangen van 43 aangesloten tuinverenigingen in de Maasstad. Andere volkstuinbonden in Zuid-Holland zijn ondermeer de Leidse Bond van Amateurtuinders (die in 1968 de in 1940 opgerichte Leidsche Bond van Volkstuinverenigingen opvolgde) en de Haagse Bond van Volkstuindersverenigingen, die in 1938 werd opgericht en de oudste bond in de provincie is. 

Een andere oude volkstuinvereniging in Zuid Holland is de Haagse vereniging Eigen Arbeid. Op 4 juli 1917 richtte een aantal politieagenten uit Den Haag vereniging ‘De Tuinbouw’ op met als doel ‘het verkrijgen en beheren van tuinen’. Bovendien hoopten de agenten op deze manier hun schamele loon wat te kunnen aanvullen met zelf gekweekte groenten en fruit. Later werd de naam gewijzigd in Tuinbouwvereniging Eigen Arbeid. De Tuinbouw/Eigen Arbeid heeft in haar bijna 100-jarige bestaan vijf verschillende thuishavens gehad. Sinds 1984 ligt het complex in het beschermde natuurgebied Duivenvoordse- en Veenzijdsepolder tussen Den Haag en Wassenaar. 

De oprichting van tuinverenigingen zorgde er niet alleen voor dat de tuinders sterker in hun overleg met gemeenten kwamen te staan. Ze konden ook eigen regels opstellen met betrekking tot het gebruik van de tuinen. Sommige verenigingen stonden de bouw van kleine tuinhuisjes toe waar zelfs mocht worden overnacht. Daarmee was de recreatieve volkstuin geboren.

Tweede Wereldoorlog en daarna
Net als in 1914-1918 en de crisis in de jaren dertig, zorgde de Tweede Wereldoorlog voor groei van het aantal tuinen uit bittere noodzaak. De recreatieve siertuin maakte tijdelijk weer plaats voor de ‘gebruikstuin’ waarin louter groenten en door een enkeling zelfs tabak werd verbouwd.

undefinedPeulvruchten oogsten op een groenstrook in hartje Den Haag, 1 september 1944 (Foto Nationaal Archief / Spaarnestad)

Er werden ook nieuwe tuinverenigingen opgericht, wat nog niet zo eenvoudig was in oorlogstijd. Zo wilden in 1944 41 enthousiaste Dordtenaren een tuindersvereniging oprichten, maar omdat samenscholingen van meer dan drie personen verboden waren, moesten de tuinders-in-spé voor hun oprichtingsvergadering ontheffing van de politie krijgen. Op 1 juli 1944 gaf de waarnemend politiepresident van Rotterdam deze vergunningen af en een paar weken later troffen de kersverse leden van Amateur Tuinders Vereniging Dordrecht elkaar voor het eerst. De vereniging vierde in 2009 haar 65-jarig bestaan. 

Na de bevrijding in 1945 volgde de periode van wederopbouw. De welvaart nam toe, net als de hoeveelheid vrije tijd, en de volkstuin werd voor grote groepen mensen de ultieme plek om die vrije tijd door te brengen.

undefinedWecken, inmaken van fruit, conserveren. In de keuken wordt fruit schoongemaakt en gekookt in water met o.a. suiker, citroensap en pectine. Daarna wordt het in gesteriliseerde glazen potten gedaan en luchtdicht afgesloten. Het fruit is zo lang houdbaar. 16 september 1953 (Foto J.J.M. de Jong, Nationaal Archief / Spaarnestad)

Stad en dorp
In de jaren zestig en zeventig leefde de belangstelling voor de natuur verder op en samen met een groeiende behoefte aan vrijetijdsbesteding, leidde dat tot de oprichting van nieuwe volkstuincomplexen. Niet alleen rond de steden, maar nu ook in dorpen. Ook begon zich in deze periode een duidelijke scheiding af te tekenen tussen de sierlijke en kleurrijke verblijfstuinen en de wat soberder moestuincomplexen.

Siertuinen waren meestal rond de steden te vinden en vooral in trek bij stadsbewoners die hier de drukte ontvluchtten. Moestuinen lagen zowel in dorpen als in steden. Hier werd en wordt voornamelijk groente geteeld. Tegenwoordig wordt tuinieren door moestuingebruikers vooral gezien als een aangename vorm van ontspanning die bovendien lekkere groenten oplevert.

Gebruikers
Terwijl de eerste volkstuingebruikers voornamelijk arbeiders waren, is het hebben van een tuin tegenwoordig een vorm van tijdverdrijf voor mensen uit alle maatschappelijke geledingen. Een typering van ‘de volkstuinder’ valt dan ook niet te geven, maar natuurlijk is er toch wel wat over te zeggen. Volgens de AVVN ligt de leeftijd van de gemiddelde volkstuinhouder momenteel tussen de 55 en 65 jaar. 

undefinedVolkstuinvereniging De Geschikte Peer in Ter Aar, opgericht in 2010

Maar de belangstelling voor een tuin onder dertigers en veertigers groeit hard. Daarmee is overigens niet gezegd dat de tuinen in rap tempo aan het verjongen zijn. Wie eenmaal een tuin heeft blijft daar vaak tot op hoge leeftijd gebruik van maken. Een groot deel van de volkstuinverenigingen kent dan ook wachtlijsten, zowel voor de verblijfstuinen als de moestuinen. 

De moestuinen lijken nu vooral in trek bij de groeiende groep mensen die waarde hecht aan duurzaamheid en ‘eerlijke producten’. Er komen ook steeds meer vrouwen als zelfstandige tuinier bij, zowel op de moestuin- als de siercomplexen. En in de grote steden lijken allochtonen de moestuin in steeds grotere aantallen te ontdekken, hoewel dit volgens de AVVN met cijfers niet te staven valt. De verblijfstuinen worden steeds populairder als tweede huisje. Een ontwikkeling waar overigens niet alle volkstuinverenigingen even blij mee zijn, omdat bij deze groep het tuinieren niet zelden op het tweede plan staat.

Type tuinen
Hoewel er tegenwoordig in nagenoeg elke gemeente volkstuinen zijn, liggen de meeste (en oudste) complexen nog altijd in of rond de grote steden. Vaak zijn deze ook nog voorzien van namen die iets van de oude idealen weergeven, zoals ‘Nut en Genoegen’ (Den Haag en Capelle aan den IJssel), ‘Levenslust’ (Delft) of ‘Eigen Arbeid’ (Wassenaar). De diversiteit van volkstuinhouders heeft er ook toe geleid dat het type tuin dat vandaag de dag op volkstuincomplexen aangetroffen kan worden zeer uiteenlopend is. Men treft er siertuinen met bloemen aan, akkertjes met groenten, miniatuur bollenveldjes, biologische tuinen, ‘wilde’ tuinen en strak vormgegeven tuinen met luxe, soms zelfs door architecten ontworpen, vakantiehuisjes.

undefinedDe tuinen van Arentsburgh in Voorburg, opgericht in 1940

Onder druk
Ondanks de populariteit van volkstuinen, staan ze vaak onder druk. Het Centraal Bureau voor de Statistiek becijferde dat Nederland in 1996 3906 hectare volkstuin kende en dat dit in 2006 ruim 200 hectare minder was geworden. Het aantal volkstuincomplexen nam eveneens af: van 2250 in 1996 tot 1984 in 2006. De volkstuinen in Zuid-Holland hadden het in deze periode het zwaarst te verduren. Dat werd vooral veroorzaakt door stadsuitbreidingen rond grote steden waar relatief veel volkstuinen voor nieuwbouw moesten wijken.

Maar ook de Nederlandse Spoorwegen, die in 1972 nog z’n 4000 tuinen met een totale oppervlakte van ruim 132 hectare door het hele land verhuurde, is debet aan de afname van tuingrond. In de afgelopen jaren heeft het spoorwegbedrijf veel contracten van moestuintjes langs het spoor opgezegd omdat de grond nodig was voor spoorverbreding. 

undefinedLangs het spoor bij Den Haag (Foto Ellen Steendam)

Tussen 1996 en 2006 verdween in Zuid-Holland in totaal 165 hectare tuinoppervlak en er kwam daarvoor slechts 105 hectare terug. De verwachting is dat deze trend zich zal voortzetten. Het gros van de gemeenten in Zuid-Holland heeft geen speciaal beleid voor volkstuinen, maar dat neemt niet weg dat deze, als ze voor bouwplannen moeten wijken, toch vaak een nieuw plekje krijgen toegewezen.

Toekomst van de tuinen
In 2010 ging Alterra, het onderzoeksinstituut van de Universiteit Wageningen in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, op zoek naar manieren om op lokaal niveau de consumptie en verbouw van duurzaam voedsel te bevorderen. Eén van de conclusies uit dat onderzoek was dat steden kwetsbaar zijn als het om hun voedselvoorziening gaat. Stadsbesturen zouden er daarom goed aan doen om eigen gronden voor ‘stadslandbouw’ te bestemmen.

Dit is overigens een ontwikkeling die al op verschillende plaatsen in het land gaande is. In een aantal steden wordt braakliggende grond in afwachting van verdere ontwikkeling inmiddels tijdelijk voor stadslandbouw gebruikt. Hoewel deze vorm van tuinieren strikt genomen niets met volkstuinen te maken heeft, zouden volkstuinen wel een plaats kunnen krijgen in de verdere ontwikkeling van dit nieuwe verschijnsel.

Zo zijn volkstuinen na honderd jaar nog altijd in ontwikkeling.  ‘De tuin’ leeft nog volop en dat is een goede zaak, want het hebben van een volkstuin, van welk type dan ook, is niet alleen gezellig en ontspannend, maar ook gezond. Uit andere onderzoeken van Alterra blijkt namelijk dat 60-plussers die in het bezit zijn van een volkstuin significant gezonder zijn dan hun tuinloze leeftijdsgenoten. Bovendien is tuinieren een aantoonbaar stress-verlagende bezigheid.

undefined

Tuinierders van ATV Het Vlijpark in Dordrecht, opgericht in 1944 

Schooltuinen
Schooltuinen in Nederland bestaan al sinds 1918. Het initiatief daartoe lag in die tijd meestal bij een school of een betrokken onderwijzer, geïnspireerd door Jac. P. Thijsse. Schooltuinen waren in die tijd bij uitstek een stedelijk verschijnsel. Het doel was eenvoudig: het leren telen van groente voor de eigen voedselvoorziening. Inmiddels gaat de aandacht voor het schooltuinieren voornamelijk van scholen en gemeenten uit, al zijn er ook wel volkstuincomplexen die op eigen initiatief een stukje grond aan scholen beschikbaar stellen. Ook wordt er tegenwoordig in dorpen volop door leerlingen getuinierd.

Leiden neemt in de geschiedenis van het schooltuinieren een aparte plaats in. De Vereniging Leidse Schooltuinen is al in 1926 opgericht en laat jaarlijks meer dan 500 leerlingen op vijf verschillende schooltuincomplexen tuinieren. Een jaarlijks hoogtepunt voor de Leidse tuin-scholieren is de traditionele hutspotmaaltijd die hoort bij de viering van het Ontzet van Leiden, dat jaarlijks op 3 oktober wordt gevierd. Uiteraard wordt deze gezamenlijke maaltijd met groenten uit eigen tuin bereid.

Bekijk de kaart met tuinen in Zuid-Holland
Deze tekst is eerder gepubliceerd in de brochure Volkstuinen in Zuid-Holland. Over verleden, heden en toekomst van volkstuinen in Zuid-Holland, een uitgave van Erfgoedhuis Zuid-Holland (2012). Bij de brochure hoort ook een kaart met een selectie van 36 volkstuinen waar bezoekers een kijkje kunnen nemen. Bekijk de kaart (PDF). De kaart is ook te bestellen via de website van het Erfgoedhuis.

Foto bovenaan de pagina: met dank aan VTV De Peuleschil in Zevenhuizen

Bijlagen

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.