Rotterdam levert al meer dan honderd jaar verhalen en figuren op voor stripalbums. Via de humor zien we de tijdsgeest.
Op 15 oktober 1921 begon het Rotterdamsch Nieuwsblad met het stripverhaal Nieuwe Oostersche Sprookjes. Het was geen strip met tekstballonnen, maar vier plaatjes onder elkaar met elk een eigen gedicht. Zo ontstond een klein verhaaltje, dat was getekend door Henk Backer, geboren en getogen in de stad van dat dagblad. Hij was de eerste striptekenaar ooit met een vaste plek in een Nederlandse krant.
Zijn archief met ongeveer 4800 oorspronkelijke tekeningen ligt bij de Universiteit van Amsterdam, maar dat neemt niet weg dat Rotterdam een belangrijke rol speelt in de beginjaren van het Nederlandse stripverhaal – en zo ook de provincie Zuid-Holland.
De eerste aflevering van Nieuwe Oostersche Sprookjes speelde zich weliswaar niet in Rotterdam af, maar in Bagdad. ‘Hoe raar een tulband vliegen kan’, was de titel van dit debuut van Backer. Boven een tekening van een man met een grote taart stond als tekst:
Daar stapt door de straten van Bagdad
Een man voor wien ieder ontzag had:
Des sultans pasteienbakker
Laat op steeds en vroeg wakker!
Hij draagt als een schat, als een reliquie
Een tulband, een prachtstuk, een taart als drie.
Door onze ogen bevatten deze afbeeldingen veel clichés over de oosterse wereld: een wijde pofbroek, puntschoenen met omgekrulde neus, een tulband of fez en een baard. De titel Nieuwe Oostersche Sprookjes verwijst er zelf al naar. De oerknal van de dagbladstrip zou daarmee onder dubieuze omstandigheden hebben plaatsgevonden.
Het is gevaarlijk om meteen deze conclusie te trekken, want in de tijd zelf waren deze opvattingen veel gangbaarder. In onze eeuw is het zeker niet verstandig om vergelijkbare tekeningen en grappen te maken, maar we moeten het werk van Backer wel in zijn maatschappelijke context plaatsen. Humor is tijdgebonden, zoals alles in het leven eigenlijk.
Ik jou doden wou! Maar slang mij te pakken had! Jij mij leven gered… Ik nu jouw slaaf zijn, edele blanke…
Genade
We zien het meer in de geschiedenis van het stripverhaal. Er zijn enkele vergelijkbare gevallen, die veel kritiek hebben gekregen – vooral met terugwerkende kracht. Dat geldt vooral voor Georges Remi, die bekend werd als de tekenaar Hergé. Onder die naam maakte hij in 1931 Kuifje in Congo, wat in 1954 werd veranderd in Kuifje in Afrika.
Het verhaal speelt in de voormalige Belgische kolonie en zit vol koloniale en racistische scènes. “Genade, meneer blanke!”, zegt een plaatselijke inwoner tegen Kuifje. “Ik jou doden wou! Maar slang mij te pakken had! Jij mij leven gered… Ik nu jouw slaaf zijn, edele blanke…”
Wat het allemaal nog akeliger maakte, is dat sprekende dieren, zoals het hondje Bobby, in die aflevering wél normale zinnen konden uitspreken. Zoals Trouw op 27 januari 1979 opmerkte: ‘Zelfs de apen en de leeuw spreken goed Nederlands.’
Het is niet toevallig dat deze kritiek in 1979 werd uitgesproken, omdat Kuifje toen precies een halve eeuw bestond. Verder was het een periode, waarin veel culturele vanzelfsprekendheden ter discussie werden gesteld, vooral de traditionele machtsverhoudingen.
Nu noemen we dat woke, maar zelfs de Telegraaf deed hieraan mee. ‘Zulke teksten met bijbehorende plaatjes, bouwen samen een beeld op dat in dit geval stereotype is voor negers [Dat woord werd dan nog wél gebruikt in die tijd, redactie]: dom, lui, slaafs... Het kind, dat dit beeld maar lang genoeg voorgeschoteld krijgt, neemt het gedachteloos over.’ Iets verder behandelde de krant de taalbeheersing van Bobby, de metgezel van Kuifje. ‘Het is niet toevallig, dat diens hondje wit is en foutloos Nederlands spreekt, terwijl de taalbeheersing van de neger geen twijfel laat aan zijn primitiviteit. Zelfs de apen zijn hem hierin ver de baas.’
Hergé heeft deze scenes later niet in zijn geheel willen herroepen of herschrijven. “Ik was toen racistisch,” zo citeerde het Limburgs Dagblad de tekenaar op 24 januari 1979, “maar het was de geest van de tijd.” Dat klopt zeker, maar andere afleveringen van Kuifje heeft hij dan weer wel veel fundamenteler herzien. De Engelse editie van Kuifje in Afrika is daarom tegenwoordig voorzien van een inleiding, wat zelfs wordt gesteund door het Hergé Genootschap, dat zich ten doel stelt om de kennis over het culturele erfgoed van Hergé te verbreiden en een bijdrage te leveren aan het vergroten van het inzicht in zijn werk.
Roger Klaassen schreef er een heel betoog over op de website van dit genootschap, naar aanleiding van het maatschappelijk debat dat woedde rond Black Lives Matter. ‘Eén van de resultaten van de discussies rond witte privileges en Zwarte Piet de afgelopen jaren is dat het mij heeft geleerd dat iets dat niet racistisch is bedoeld toch racistisch kan zijn. In het geval van Hergé geldt hetzelfde: hij was geen racist, Kuifje niet en Bobbie ook niet, maar Kuifje in Afrika wel. In elk geval kun je zeggen dat Hergé racistische denkbeelden bevestigde.’
Ook in de begintijd van Sjors & Sjimmie kort na de Tweede Wereldoorlog was er sprake van grote vooroordelen over mensen uit andere culturen. Sjimmie werd afgebeeld met een rieten rok en een bot door zijn neus. Als vanzelfsprekend kon hij geen enkele Nederlandse volzin produceren. Robert van der Kroft werd in de jaren 70 de tekenaar van de strip en bracht grote veranderingen aan. Sjimmie werd een normale jongen, net als Sjors. Van der Kroft blikte in 2018 bij EenVandaag terug op die beginjaren, waarin er amper sprake was van etnische diversiteit in Nederland. “Sjimmie is verzonnen in 1947. Dat was lang voordat er tv was en kleurenfoto’s waren. De enige exotische mensen in Nederland toen kwamen mee met Sinterklaas en dat waren de Zwarte Pieten. Eigenlijk als vanzelfsprekend werd van Sjimmie een soort Zwarte Piet gemaakt.” Waaraan door Van der Kroft dus een einde werd gemaakt.
Tripje
Backer is nooit aangeklaagd of ter discussie gesteld, al was het maar omdat zijn vooroorlogse werk is verdwenen uit ons collectieve geheugen. Het was verder redelijk onschuldig, in ieder geval in de tijd zelf. Zijn verhalen waren zelfs zo populair dat hij als eerste striptekenaar kon leven van zijn werk. Het hoogtepunt werd De wonderlijke geschiedenis van Tripje, een serie die begon op 19 mei 1923 in het Rotterdamsch Nieuwsblad. Ook hier werd een tekening gecombineerd met een tekst. ‘Er lagen eens op een tafel allerlei voorwerpen bijeen,’ opende het verhaaltje onder het eerste plaatje. ‘Een schaar, een doosje lucifers, een eikel, een kurk, een mes, en zoo al meer. Dat is zoo vreemd niet maar hoort, wat wonderlijks daarmede is geschied!’
Een kleine fee met kleurige vlindervleugels zweefde binnen en had een aardig plannetje. ‘Ze strekte haar tooverstafje uit en toen begon de schaar te knippen, het mes te snijden. En ziet, daar kwam een aardig klein ventje voor den dag!’ Zijn hoofd was gemaakt van de eikel, zijn lijf van de kurk, zijn armpjes en pootjes van lucifers, zijn schoentjes van koffiebonen en zijn hoedje van papier. ‘Wat een aardig kereltje was dat!’ De kleine fee pakte haar stafje er weer eens bij. ‘Toen begon me waarlijk dat kleine kereltje te leven! Vroolijk keek hij de wereld in. „Tripje" noemde de fee hem. En welke koddige avonturen dit ventje ondervond, zul je van nu af te zien krijgen!’
Via Delpher zijn heel veel afleveringen terug te vinden, die drie keer per week werden geplaatst. De albums waren een gigantisch succes, waarbij de politie zelfs moest ingrijpen vanwege een overweldigende drukte bij de start van de verkoop. In de Tweede Wereldoorlog eiste de Nationale Jeugdstorm als de belangrijkste nationaalsocialistische jongerenorganisatie daarom dat Backer in zijn tekeningen iets aardigs zou zeggen over deze club, maar dat weigerde hij. Tripje werd daarom tijdelijk stilgelegd, maar werd later toch weer hervat.
Na de oorlog werd Backer vooral bekend als schrijver van hoorspelen voor de Nederlandse radio. Hij was tot 1963 nog steeds verbonden aan het Rotterdams Nieuwsblad. Aan het eind van dat decennium werd hij door de vereniging Het Stripschap geërd voor zijn pionierswerk als striptekenaar. Daar was het Nederlands Dagblad het helemaal mee eens toen dat in 1976 een historisch overzicht plaatste van de geschiedenis van strips in Nederland. Helemaal bovenaan, in 1921, stond de naam van Henk Backer als eerste professionele striptekenaar in dienst van een krant.
Zijn humor was zo allang ingehaald door de tijdsgeest, maar zijn bijdrage aan de Nederlandse strip bleek blijvend. Backer overleed in 1976.
Haar decolleté ligt precies op de hoogte van de neus van Agent 327
Agent 327
De dagbladstrip begon dus in Rotterdam, dezelfde stad als waar Martin Lodewijk in 1939 werd geboren. Hij werd onder meer bekend met Agent 327, waarmee hij in 1966 debuteerde in het weekblad Pep. Dat tijdschrift veranderde precies in die periode van een degelijk en braaf stripblaadje in een publicatie met experimentele en vernieuwende tekeningen. De tijdsgeest veranderde weer eens en daarmee de humor ook.
Lodewijk leverde daar een belangrijke bijdrage aan met de avonturen van geheim agent Hendrik IJzerbroot, die werkte onder zijn codenaam Agent 327. ‘Deze agent van de Nederlandse geheime dienst,’ omschreef het dagblad De Waarheid in 1972, ‘komt iedere dag in een andere vermomming op zijn werk, mompelt zijn 'goeie grutjes nog aan toe, wat een geheim agent al niet moet doen om incognito op kantoor te komen' en vervult dan zijn nauwelijks wereldschokkende dagtaak.’ Volgens de Koninklijke Bibliotheek ligt het toch net iets anders met deze spion: ‘Iedere keer als ons land in gevaar dreigt te komen, wordt hij er op uitgestuurd om ervoor te zorgen dat de Nederlandse bevolking weer rustig kan slapen.’
Hoe dan ook: Agent 327 was een persiflage op de toenmalige spionagefilms met heldhaftige en doortastende types. Eén van de schurken heette Dr. Maybe, onder meer verwijzend naar Dr. No van James Bond. Het album Dossier Onder Water uit 1978 speelde zich voor de eerste keer in Rotterdam af. ‘Ter hoogte van het KLM-kantoor in het ENNIA-gebouw aan de Coolsingel weet Hendrik IJzerbroot toch te ontsnappen,’ vatte Het Vrije Volk een actiemoment samen. ‘Hij schiet de Coolsingel over om ter hoogte van de platenzaak van Dankerts de metro in te schieten. Gered.’
Maar waarom? “Dat ligt voor de hand,” vond Lodewijk. “Het verhaal gaat over smokkel en havens. Dan laat je het in Rotterdam afspelen." Dat scheelde meteen in de reiskosten om fotomateriaal te maken als archiefonderzoek voor dit verhaal. Zo groeide de band tussen Lodewijk en Rotterdam, twee jaar nadat hij ook al een tram op lijn 22 knalgeel had geschilderd, met de tekst Tingeling…Te laat.
In 2000 leidde een Rotterdamse scéne zelfs tot vragen in de gemeenteraad. Lodewijk had voor het Algemeen Dagblad een tekening gemaakt van de voormalige uitkijktoren bij Diergaarde Blijdorp, die in 1972 was gesloopt. PvdA-gemeenteraadslid G. Peet vermoedde een geheime boodschap over een wederopbouw van die toren. “Hoe ernstig moeten we deze hint nemen?,” vroeg de politicus aan de verantwoordelijke wethouder.
“Is het mogelijk op korte termijn te worden bijgepraat over de plannen van Blijdorp met de Rivièrahal en de uitzichttoren?”
Lodewijk verwees naar zijn artistieke vrijheid. “Voor mij hoort de gesloopte uitkijktoren nog altijd bij mijn eigen Blijdorp en daarom teken ik hem erbij. Dat tekstje bij het plaatje van de oude entree met toren is een beetje provocerend bedoeld.” De dierentuin zelf ontkende enige betrokkenheid, maar een jaar later sprak die toch de hoop uit dat er een wederopbouw zou komen. Met deze grap had Lodewijk een directe invloed uitgeoefend op de Rotterdam politiek, al zal het niet bewust zijn geweest.
Tweeluik hierboven: striptekenaar Martin Lodewijk. Maart 1965 met een gitaar (Foto: Ary Groeneveld / Gemeente Rotterdam (Stadsarchief) CC-0) / en in 2015 tijdens Strips op de markt in Gouda (Foto: Wikimedia: by Agaath - Own work, CC BY-SA 4.0)
Assistentie
Agent 327 heeft dit overigens niet allemaal alleen gedaan. In 1977 kreeg hij in Dossier Zondagskind voor de eerste keer begeleiding van assistente Olga Lawina, vernoemd naar de bijna gelijknamige jodelzangeres Olga Lowina. “Ze heeft zichzelf in de strip gewerkt,” zei Lodewijk in 2007 in een aflevering van Het Klokhuis. “Ik kon er niets aan doen.”
Toch had haar lichaamsbouw een functie in het verhaal. “Haar decolleté ligt precies op de hoogte van de neus van Agent 327,” aldus de tekenaar in 2000 in het AD. “Met Olga wilde ik de verlegenheid van 327 illustreren. Hij draait zich om en zet zijn neus in haar borsten. Blozen! Ze was bedoeld als voorbijganger, maar besloot om erbij te blijven.”
De Rotterdamse tekenaar wist zelf ook wel dat het clichés waren. “Maar kan ik er wat aan doen? Je maakt een karikatuur van een vrouw en dan kom je op de keuze of hele grote of kleine borsten. Maak je ze klein, dan lijkt ze op een jongetje.” In de jaren daarna groeiden die borsten ondertussen steeds verder uit tot enorme proporties. De kleren van Lawina werden steeds strakker en geringer van aantal. “Borsten zijn natuurlijk best leuk,” vervolgde Lodewijk in Het Klokhuis. “Het is ook het tekenen, weet-je-wel. Je laat zo’n penseel over het papier zwieren. Een oor gaat steeds groter worden en zo’n borst ook. En Olga vindt het zelf leuk.”
Weer een kwarteeuw later staan zulke stereotiepe beelden wederom ter discussie, net als eerder bij mensen met tulbanden, een rieten rok of een bot door de neus. Olga Lawina, Kuifje en Sjimmie zijn allemaal getekend door de tijd, waarmee we deze discussie ongeveer kunnen samenvatten op de manier zoals het Hergé Genootschap dat deed bij Kuifje in Afrika: Lodewijk zal vast geen seksist zijn, maar Agent 327 bevestigde wel de seksistische denkbeelden.
0 reacties