Door het nazoeken van je eigen familiestamboom kom je op uitlopers van de geschiedenis die vaak onbekend zijn. Fausia Abdul spreekt met Maisha Neus over haar Surinaamse familiegeschiedenis: ‘Het is geweldig om over activisten van vroeger te leren, en dat mijn voorvader er ook een was! Maar vrouwen worden vaak vergeten in de geschiedenis.’
Voormoeder en nazaat
Maisha Neus: In Suriname worden binnen families verhalen verteld, die achteraf gezien - bij nader onderzoek - niet blijken te kloppen. Dit hangt ongetwijfeld samen met onze orale cultuur, het van generatie op generatie doorvertellen van geschiedenis, waar hier wat bijkomt, en daar wat afgaat. Zo vindt er ‘epische’ verdichting plaats. Sylvia de Groot heeft daar in ‘Boni’s hoofd en Boni’s dood’ een fascinerende toelichting op gegeven (De Gids, 1980).
Een voorbeeld: zo werd verteld dat de familie Neus uit de Para kwam, van de houtplantage Berlijn. In het familieboekje van Owma Johanna Catharina Neus is ze daar geregistreerd, als moeder van Nellius Neus, in 1871. Vader onbekend.
In het boek over slavenfamilies in 1863 staat dat Neus als naam gegeven werd op plantage Zorgvliet in de Commewijne. Maar dat betrof een man, met een pleegzoon. Dus geen voormoeders. Uit onderzoek in de burgerregisters bleek Elisabeth Neus op 13 augustus 1854 te zijn bevallen van Johanna Catharina Neus, te Nieuw Amsterdam. Het onderzoek ging dus nog een generatie terug, en die voormoeder was een vrije vrouw. Johanna Catharina overleed op 12 mei 1889. Ze kreeg een aantal kinderen, de meeste werden niet ouder dan 5 jaar.
Spirituele houding
Nellius Neus stond in de gemeenschap bekend als volger van Marcus Garvey, samen met Carel Rier. Hij was de stichter van de Baptistenkerk en leidde een afgescheiden groep: Evangelisatie Ebenhaezer. In de Surinaamse bode van 1906 staat geschreven ‘dat de negers, alle Negers, het ras toch wel geniaal moet zijn, om uit zulke omstandigheden (drie eeuwen slavernij) omhoog te komen! Deze ene zin maakt duizend anderen goed!’ het geeft de spirituele houding van Nellius Neus en gelijkgestemden weer; ondanks alle negatieve steretypering geloofden zij in zichzelf en stimuleerden de herdenking van de Emancipatie. Uit de bijbel citeerden zij Psalm 68:32: ‘Ethiopie zal zijn handen spoedig uitstrekken naar God’ en waren voorlopers van Frederick Douglass en de latere rastafari. Nellius werd huisschilder en trouwde op 31 maart 1897 met Constance Carolina Elsler (1879-1944) in de Para. Het leiderschap van Nellius blijkt ook uit het feit dat hij de voorzitter van de schildersvakbond werd. In 1935 werd hij voor zijn inzet geëerd. Ze kregen samen 15 kinderen, van wie er 7 volwassen werden. Wat een verdriet moet dit zijn geweest voor Constance en Nellius.
Ook na de Emancipatie was er een grote kindersterfte vanwege gebrek aan hygiëne en ziekten waartegen men geen medicijnen had. Besmettingen met tyfus, cholera of dysenterie door middel van drinkwater kwamen veel voor. Of filaria en malaria, verspreid door muggen. Blijkbaar was de kindersterfte zo alarmerend, dat er in dat jaar voor zuigelingen een ‘Raadplegingskantoor’ werd opgericht, waar kosteloos advies en melk werden verstrekt.
In 1919 schreef H. van Kol hierover in de publicatie Volksgezondheid in onze West-Indische koloniën: ‘Hoofdoorzaak van de kindersterfte is de wijze waarop de zuigelingen gevoed worden, die tot stikkens toe vol stopt met bananen, vaak onzuivere melk verstrekt, terwijl vooral aan de onwettige kinderen bitter weinig zorg wordt besteed door moeders, die zelf in armoede dan wel van prostitutie leven. De onvoldoende voeding der moeders, het verwaarlozen der zuigelingen gedurende haar arbeidstijd, het slapen dicht bij houtskoolvuur der wasvrouwen, onvoldoende verloskundige hulp, vroegtijdige zwangerschappen, het gebruik van vruchtafdrijvende middelen, zijn even vele redenen, dat vele kinderen in hun prille jeugd naar hun grafje worden gedragen.’
Op 11 juni 1911 verzorgde G.G. Rustwijk een 5 uur durende maatschappijkritische lezing in Theater Thalia over de enorme kindersterfte. Dit was een aanklacht tegen de erbarmelijke levensomstandigheden, waar het gros van de Surinamers onder leed: ‘De jeugd sterft dagelijks af, kort na zij is geboren... Wat reden toch! Waarom gaat alles hier verloren?’ Deze voordracht werd recentelijk gememoreerd in een voorstelling door Mathieu Wijdeven in Theater Thalia, die zo zijn voorvader met een prachtig eerbetoon voor het voetlicht zette.
Moesje Neus
Zeven kinderen Neus groeiden op tot volwassenheid. De oudste zoon Izaak Charles Johan Neus (1899), kreeg een kind met Jacqueline Isabella Linger, mijn opa, Albert August. Jacqueline was geboren in de boven Para (Berlijn) op 25 mei 1901, als dochter van Ottilina Linger (vader onvermeld). Haar tweede kind, Julius Alfred, geboren in 1932 in Paramaribo werd op 7 mei van dat jaar erkend door vader Julius J. Sandvliet. Alfred verdronk op 31 augustus 1947 in de Surinamerivier.
Jacqueline kreeg haar eerste zoon, August Albert, op 26 juli 1925. Zijn vader Izaak Neus (1899) erkende hem op 30 juni 1926. Helaas stierf Izaak niet lang na het behalen van zijn onderwijzersakte in 1927. Boze tongen beweren dat hij uit jaloezie werd vergiftigd.
Jacqueline, of Moesje Neus zoals mijn overgrootmoeder liefkozend werd genoemd, heeft ons twee belangrijke erfgoedobjecten nagelaten. Het eerste is een cederhouten kist waarin ze haar koto bewaarde, en angisa; vierkante kleurrijke doeken die met gomma (stijfsel van cassavemeel) werden gesteven en dan in vorm gevouwen. Hierdoor kon men met het hoofddeksel een boodschap doorgeven. Het cederhout waarvan de kist is gemaakt, weert insecten die anders gaten in de stof zouden bijten. Op de foto zien we haar bij haar huis te Saron, Toekomstweg. Met aan de deur een poster met daarop Jopie Pengel. Het moet na 1960 zijn geweest.
Zoals vele vrouwen in het begin van de twintigste eeuw, was Moesje waarschijnlijk wasvrouw en waste zij kleding in haar jongere jaren. Vele ambtenaren en militairen droegen een wit uniform. De keurig gebleekte was werd zelfs naar Nederland verscheept. Het tweede voorwerp dat wij als kleindochters koesteren, is haar grote houten schaal waarmee ze wasgoed op haar hoofd droeg.
Maisha Neus: ‘Door het nazoeken van je eigen familiestamboom kom je op uitlopers van de geschiedenis die vaak onbekend zijn. Gewoon omdat we het binnen onze eigen opleiding niet hebben geleerd, zaken uit de historie (bewust of onbewust) zijn verdoezeld, en je dus nog nooit bent geconfronteerd met deze feiten. De geschiedenislessen in Suriname leren je veel over de slavernij en contractarbeid. Hoewel dit gedoseerde informatie is. Maar dat er zo’n enorme kindersterfte was, ook na 1900, dat vond ik heel schokkend.'
Neus: Dan is het belangrijk om mensen als Paul Christiaan Flu (1884-1945), Surinaams medicus, hoogleraar tropische hygiëne en (later) rector magnificus van de universiteit Leiden, te eren omdat hij zich heeft ingezet voor betere medische omstandigheden. Wat weten we in Suriname weinig over hem. Gelukkig heeft de arts Nizaar Makdoembaks in 2014 aandacht voor hem gevraagd in zijn publicatie Kindersterfte in Suriname, een erfenis uit de slavernij: verzwegen werk van prof. dr. P.C. Flu. Dit zou iedereen moeten weten.’
Zie ook: In gesprek met Hilde Neus
Bronnen
- Neus, N.C.J., Vijfentwintigjarige herdenking (Paramaribo 1924)
- Zorgdrager, H., ‘Carel Paulus Rier, een vroege voorloper van Martin Luther King in koloniaal Suriname’. Historiek.net, overgenomen uit Bijbelvertaalblad Met Andere Woorden (2023-2).
- Banier van Waarheid, 24 april 1935.
- Kol, H. van. ‘Volksgezondheid in onze West-Indische koloniën’. West-Indische Gids,1919.
- Simons, R.D. ‘De maatschappelijke beteekenis der Surinaamsche ziekten’. West-Indische Gids, 1931.
- Our HERitage - Haar stem - onze geschiedenis - inclusieve toekomst
0 reacties