Naar overzicht

Binnenvaartverhaal Greetje Groen: Geboren op het water

Debby Davidse en Casper Burghoorn
28 april 2026

Greetje Groen (1946) groeide op als schippersdochter, op de binnenwateren van Nederland. Ze schreef een boek over haar herinneringen, en vertelt over haar jeugd op het water, waar weinig constant was.

Zetschipper

Ik ben geboren op een woonschip in Stavoren. Mijn vader voerde daar op het oliebootje van de familie. Mijn moeder vond het verschrikkelijk daar. Ze kwam uit Hoogkerk en kende niemand in Stavoren, alleen de familie van mijn vader. Op een goed moment was er een schip op de werf waarvan de schipper wilde stoppen met varen. Mijn vader sprak hem: “goed, weet je wat, we ruilen.” Zo is mijn vader als zetschipper gaan varen.

Een zetschipper is iemand die vaart op een schip dat niet van hem is. Het schip bleef van die man, en die verdiende de helft van het geld dat mijn vader verdiende. Mijn vader kon ons onderhouden met de andere helft. Na een aantal jaar heeft hij het schip gekocht en wat aanpassingen gemaakt om het wat moderner te maken, maar een heel modern schip was het dus niet. Het had een zijschroef die je bij elke brug binnenboord moest draaien.

Het was een schip van dertig meter. We vervoerden in het begin veel zand en grind, want mijn opa had een handel daarin in Hoogkerk. Vervolgens ook andere dingen, zoals ijzer, stenen voor de bouw, potstalmest, suikerbieten, noem maar op. Wat op het moment voor handen was, vervoerde mijn vader. 

De schippersbeurs

Als we zand laadden liep de route van de Bijland, bij Lobith, naar Hoogkerk. En dan misschien weer een ander reisje, schuimaarde van de suikerfabriek bijvoorbeeld, dat brachten we weer ergens anders heen. Daar ging je dan naar de beurs, want daar kreeg je je reis. Men was destijds verplicht om de reis aan te bieden op de schippersbeurs. De opdracht moest passen bij de tonnenmaat van jouw schip, en je schip moest er kunnen komen. Het schip van mijn ouders was bijna zes meter breed, dus wij konden nooit naar België, waar je sluizen had van vijf meter vijf. Maar we laadden wel eens kolen, zolang het paste bij het schip. Met een schip van tweehonderd ton ga je geen tachtig ton laden.

Het was mijn vader die naar de schippersbeurs ging. Wij gingen gewoon voor de lol wel eens mee. Je liep dan in zo’n grote hal. Vooral de Amsterdamse stonk verschrikkelijk naar sigarenrook. Mijn broer spaarde sigarenbandjes, daarvoor ging hij langs bij die schippers, of hij vond ze op de grond. Geen gezonde omgeving voor kinderen, voor niemand natuurlijk. Ik denk dat er minstens een man of veertig, misschien wel tachtig, was op zo’n beurs, maar je had ook kleinere. Je zocht na zo’n reis gewoon de dichtstbijzijnde beurs op. Er zullen er een stuk of tien zijn geweest in Nederland. Winschoten had er één, met een heel mooi gebouw. Mijn vader ging ook naar de beurs in Arnhem, Maasbracht, Rotterdam, Leeuwarden. Maar het zijn er vast veel meer geweest.

Kind op het schip

Je sliep met z’n allen in het achteronder, een kleine, eigenlijk levensgevaarlijke ruimte. Als er iets gebeurde, zat je gevangen. Wij sliepen daar uiteindelijk met negen kinderen, maar ik was de oudste, dus ik begon als enig kind. Elk jaar ongeveer kwam er een kind bij. Een vrouw bevalt op eigen berekeningen, je hebt geen arts die je bijhoudt. Je kan geen afspraak aan de wal maken. Naar de tandarts ging je alleen om te trekken, je bent altijd onderweg.

’s Morgens trapt je moeder je uit bed. Dan word je aangekleed, je haartjes gekamd, en ga je met z’n allen om de tafel zitten. Mijn vader is sinds het licht is al bezig om te varen. Dan zitten wij om tafel met ons broodje, en mijn moeder moet soms even helpen sturen als mijn vader de zijschroef binnenboord brengt bij een brug. Zo is ze soms bij ons en soms even weg. Zij was altijd druk met het helpen van mijn vader of het verzorgen van de baby, en wij soms ook. Maar overdag speelden we, schippertje natuurlijk. We hadden bijvoorbeeld een stoel als boot en zo’n oude stoof als roeiboot. We laadden het “schip” met vuil wasgoed en duwden het door de roef (het woondeel van een schip, red.) de hoek in, waar we het losten. Als mijn moeder dan beneden kwam vond ze het niet leuk alle vuile was in de hoek te zien liggen. Maar je speelde altijd dat je voer.

Mijn vader had ook houten scheepjes voor ons gemaakt. Daarmee voeren we op het vloerkleed, of erlangs, van de ene naar de andere kant. Die laadden we met kroonkurken. We hadden altijd dubbel gestoomde melk, daarvan bewaarden we de kroonkurken. En die laadden en losten we, van de ene naar de andere kant.

Die ruimte was tweeëneenhalf bij vier. Heel klein. We mochten niet buiten spelen, tot mijn vader later een hek had gemaakt bovenop de roef. Binnen dat hek konden wij spelen, en hij had vanuit de stuurhut zicht op ons. Als we onder een brug doorvoeren, gooiden mensen dan wel eens snoepjes naar ons. Op de wal spelen kon alleen als je stijf tegen de kant aan lag. We mochten niet alleen over de loopplank. We konden toen we klein waren niet zwemmen, en mijn ouders trouwens ook niet. Je kon nooit zwemles nemen in een zwembad, het enige wat schippers wel eens deden was een touw om je middel en naast het schip heen en weer. Dan werd verteld wat je moest doen. Toen ik op het internaat kwam, kreeg ik daar zwemles.

Mijn moeder sprak geen Gronings tegen ons. Ze probeerde zo veel mogelijk goed Nederlands, maar er zwierven weleens wat Groningse woorden doorheen. Zij wist dat niet, ze was Groningse woorden aan het vernederlandsen. Ik lachte er wat om.

Van jongs af aan mocht ik al meesturen. De hele oude schepen hadden vaak zo’n liggend stuurwerk. Het eerste wat mijn vader gedaan had was er een staand stuurwerk van maken. Daar mocht ik wel eens mee sturen. Eens bracht hij mijn moeder die een slaapje aan het doen was een kopje thee, en moest ik even onder de brug van Katerveer (IJsselbrug bij Zwolle, red.) door. Hij vergat dat de vlaggenstok er nog stond. De vlaggenstokknop lag eraf. Dat was 1952, toen ik nog vijf jaar was. Toen stond ik al te sturen. Met een schip van dertig meter. Er zijn mensen die dat zien alsof ik een vrachtwagen bestuurde, maar dat schip is veel makkelijker. Dat gaat veel langzamer. En ik vond sturen leuk. 

Toen we eenmaal in Amsterdam stillagen, toen ik een jaar of elf of twaalf was, moest ik ramen lappen aan de buitenkant. Dat vond ik niet leuk. En schoenen poetsen van iedereen – ik legde heel demonstratief alle schoenen in een rijtje op de luiken. Toen ik al een jaar of zestien was moest ik de kleintjes naar bed brengen. Na een poosje op de huishoudschool ook koken. Groenten, vlees, aardappelen. Ik deed boodschappen in Amsterdam, bij Simon de Wit, want dat was een christelijke kruidenier. De Gruijter zat daarnaast, maar dat was een katholieke, dus daar mocht ik niet heen. Dat was de tijdgeest. Maar vóór die tijd, toen we nog voeren, heb ik nooit wat hoeven doen, alleen huiswerk maken. 

Onderwijs

Naar de kleuterschool gingen we niet, dat was gedoe. Ik heb eerst op ligplaatsonderwijs gezeten, dat begint als je zes bent. Daar kreeg je een map met boeken, en een administratieboekje waarin staat wanneer je naar school gaat. “Zend uw kinderen zoveel mogelijk naar school”, zeiden ze. “Alle maatregelen ter bevordering van het onderwijs aan Schipperskinderen hebben geen resultaat als de kinderen niet naar school gaan. Heeft u kinderen aan boord, dan moet het zo zijn. Schip voor de wal, kinderen naar school.” Dat moesten ze nog heel erg stimuleren. Dan ga je ergens een week naar school, dan weer twee maanden niet, dan weer drie dagen wel. Zo had je wisselende scholen door Nederland heen.

De bedoeling was eigenlijk dat je opdrachten krijgt op school die je maakt terwijl je vaart, en die dan bij de volgende school worden nagekeken, maar dat schoot niet op. Ik zat gewoon boven in de stuurhut te kijken en mee te varen. Op het internaat, vanaf een jaar of acht, had je klassikaal onderwijs. Schippers hadden zelf vaak ook geen onderwijs genoten. Die zeiden, ‘ik kan me toch ook redden?’ De man die het internaat oprichtte, Gerben de Jong, kwam op het idee toen hij zag dat een schipper de krant ondersteboven hield en net deed of hij aan het lezen was.

Wat ik erg leuk vond aan het ligplaatsonderwijs is dat je allemaal verschillende scholen had. De ene vond ik leuker dan de andere. Ik vond het leuk dat kinderen soms werden opgehaald tijdens de schooldag, omdat het schip alweer moest varen. Mijn vader haalde ons ook wel eens op als het eigenlijk niet echt nodig was. Dan had hij net op de beurs een reis gekregen en haalde hij ons op, terwijl hij nog wat dingetjes aan boord moest doen. Iedereen bleef op school en wij konden lekker weg, dat vond ik altijd heel leuk.

Het nadeel was dat mijn vader niet alle berichten van school mee kreeg. Twee keer ging de school eerder uit, toen moest ik een uur wachten. Een kind van zes. In Leeuwarden moesten we gewoon buiten het hek wachten, op straat. Ik was bang voor honden, ik was zo bang dat er één aan zou komen. In Velsen was het ook gebeurd, maar daar zaten we op het schoolplein. 

Toen ik acht was werd mijn vader ziek. Toen ben ik anderhalf jaar in Leiden op school geweest, daar heb ik wel namen van de kinderen in de klas leren kennen. Dat was wel even bijzonder. Het is heel anders, ik hoorde er een beetje bij. Geen vreemde eend in de bijt. Ik had geen vriendinnetjes daar, dat is toch te veel afstand. Maar je voelt je toch wat veiliger op school.

Greetje Groen (particuliere collectie)

Op het internaat ben je een nummer, niet een persoon.

Internaat

Ik ging als eerste van de kinderen naar het internaat. Dat was helemaal niet leuk. De zusters daar hebben altijd een lievelingetje, die altijd op schoot zit en alles extra krijgt. De andere kinderen doen er niet toe. Ik had toen ik erheen ging een jurk aangekregen van mijn moeder. Toen ze me na een aantal weken ophaalde had ik die ook aan, en al die tijd was hij niet gewassen. We deden daar alles met een schort voor, eten, spelen. Dat werd wel eens gewassen. Ik werd niet mooi aangekleed ofzo, ik kreeg gewoon de jurk aan die ik had. En die hield ik de hele tijd aan, en mijn moeder boos erover.

Op het internaat ben je een nummer, niet een persoon, in een hele groep kinderen. Is de ‘r’ in de maand, krijg je levertraan. Dan gaat de hoofzuster rond, hup, allemaal meteen inslikken en weer door. Ik was allergisch voor levertraan. Ik kreeg overal galbulten en jeuk, ’s nachts in bed lag ik te krabben. Maar iedereen krijgt levertraan. Toen mijn ouders na zes weken weer kwamen vertelde ik dat en kreeg ik Sanostol, dat mocht dan in plaats van levertraan. Zodra die op was, moest ik weer aan de levertraan. Nou, dan kwamen de galbulten weer, en dat wisten ze. Maar het is gewoon belangrijker dat de groep allemaal hetzelfde doet dan hoe het met de kinderen gaat. Iedereen wat anders is veel te ingewikkeld.

Er waren toen meer dan honderd kinderen op het internaat, en één begeleider per twaalf kinderen, ongeveer. We sliepen op een zaal met stapelbedden. ’s Morgens was het opstaan, met z’n allen naar de eetzaal, en dan twee aan twee in de rij naar school. Soms was het ontbijt zure zult, dat vond ik verschrikkelijk. Een andere keer had je boterhamworst, of jam, ik weet het niet meer precies. Het was niet zo standaard dat je elke dag hetzelfde at, zeker de vleeswaren verschilden.

Ik zat op het prinses Beatrix internaat in Amsterdam, één van de vier christelijke, zogenaamde Klaver 4 internaten. Je had ook Irene in Rotterdam, Margriet in Zwolle en Marijke in Groningen. In Vreeswijk was een groot openbaar internaat, maar wij moesten naar een christelijke van mijn ouders.

Ik fietste naar school op de oude fiets van mijn moeder, die was veel te groot voor mij. Mijn vader had hem nog een beetje voor me aangepast. Maar onderweg werd ik aangesproken dat ik een gevaar op de weg was. Ik was niet gewend te fietsen, dat heb ik als klein kind niet geleerd. Mijn fijne motoriek was prima, maar als je me zag hinkelen was ik echt een stijve hark. Die speelruimte om te bewegen had je niet. Je bewoog om de tafel heen. Je kwam ook nooit andere kinderen tegen, geen vriendjes of vriendinnetjes, alleen broertjes en zusjes. Dat was gewoon het schippersleven.

'Alles in de wind'

Op de foto op het boekje zitten wij in het ruim in het zand te spelen. Mijn tante houdt ons een beetje in de gaten. Dat zij er was, was uitzonderlijk. Ze moest op de bank slapen. Hier is ze een jaar of achttien, gewoon bij wijze van vakantie even met ons meevaren. We varen vanaf Lobith naar Hoogkerk, hier zijn we op de Friese meren. Het weer is mooi, mensen zitten met de voeten buiten boord, en wij in het ruim. Ik ben de grootste van de drie. De foto is van de zomer van 1950, september dat jaar werd ik vier. 

Ons schip had een stuurhut, een theehut en een roef, dat was de zitkamer. In de keuken, de theehut dus, was ook een eettafel. Mijn moeder kookte daar, er stond een aanrecht met een watertank als onderstel en een gasstel er bovenop. Verder een heel klein kastje voor pannen en een grotere voor etenswaar. Meestal ontbeten we daar. Toen er veel meer kinderen kwamen, werd die ruimte te klein. Met de watertank hadden we water om te drinken, maar ook om te wassen. Dat deden we dus ook daar.

Het grootste probleem in de winter was het butagas dat bevroor. Dat stond buiten maar moest dan naar binnen, anders konden we niet koken en hadden we geen licht, want dat was ook een gaslamp. Soms moesten we schudden aan de fles om het een beetje in actie te krijgen. Later kregen we propaangas, dat kan beter tegen lage temperaturen. 
Wij wisten niet anders. Die andere wereld kende ik niet, dat was een rare wereld met allemaal kinderen die iedere keer op dezelfde school zaten. Die kenden elkaar en ik kende ze niet. Ik had helemaal niet het gevoel dat ik daarbij zou willen horen. Dat klikte niet met elkaar. In Amsterdam, op het internaat, werden we ook uitgescholden door de Amsterdammers. 

Alles in de wind, alles in de wind
Het is maar een schipperskind
alles in de wind, alles in de wind
Het is maar een schipperskind.
Kom hier Rosa, Kom hier Rosa!
Je bent mijn zusje, je bent mijn zusje jaja.

Soms als ik aan de wal ging spelen met stadskinderen, zongen ze dat liedje in een kring. Dat staat me zo bij. Ik besefte later pas wat ze precies bedoelden. Ik vond het heel raar. Iedereen kent het, ik kreeg net vorige week een appje van een vriendin die mij dit liedje stuurde. 

Het water en de wal

Parlevinkers (iemand die producten verkoopt vanuit zijn boot, red.) waren helemaal in het begin, toen ik klein was. Die roeiden het kanaal of de rivier op. Daar gingen ze de schepen langs, die voeren toen nog niet zo hard als nu. Mijn vader riep “hé, roeier, kom hier” en dan kwam hij. Dan zag dat het de bakker was, of de groenteboer, gewoon plaatselijke kleine winkeltjes. Ze gingen naast het schip liggen, dat voer heel rustig. Hun waar ventten ze dan uit op het schip, en na afloop maakten ze los. Ze zorgden voor de terugweg dat ze een schip de andere kant op hadden, anders ga je steeds verder van huis af, met de roeiboot. Later werd het een motorbootje. En nog later bijna een supermarkt, waar je aan boord kon stappen om rond te kijken.

Als je aan de wal boodschappen ging doen, bijvoorbeeld bij de slager, zagen ze aan je dat je schipper bent. Dan kreeg je het minst leuke stukje vlees, want je bent toch geen vaste klant. Toen ik bij mijn oom en tante mee was varen, zei mijn tante: “Denk eraan. Jij mag vlees halen, denk eraan dat je goed vlees krijgt.” Het was heel moeilijk voor schippers om goed vlees te krijgen, zij wilden gewoon hun oude rotzooi kwijt. Hetzelfde gebeurde met de bakker. Ik stond met mijn vader in de bakkerij, de bakkersdochter zou ons bedienen. “Ma, moet je horen, er staat een schipper in de zaak, hoe veel kost het brood nu?” Misbruik werd ervan gemaakt, uitgescholden werd je omdat je anders was dan zij. 

Mijn moeder durfde vaak niet over de loopplank. Zij was geen schipperskind. Dus mijn vader ging eigenlijk altijd op pad, met ons. Toen mijn vader ziek was kon hij bijna niet weg, toen is mijn moeder wel met ons weggeweest. Maar weinig, ze had altijd zo veel kinderen om voor te zorgen. Ze kon eigenlijk nooit echt weg.

Als je ergens lag met het schip ging mijn vader bellen, in elk geval naar zijn ouders in Hoogkerk, want daar ging de post heen. Dan zei hij waar we lagen en werd de post naar het postkantoor daar gestuurd. Als er andere mensen waren die contact met ons zochten, belden ze mijn opa en oma op. Wij belden ook wel de andere opa en oma, gewoon om te informeren hoe het ging. Die opa en oma van mijn moeders kant, daar logeerden we altijd als we vakantie hadden. Mijn vaders ouders waren wat ouder, maar die verzorgden de post. Dat waren mensen van toen, altijd in een donkere jurk, kan ik me herinneren. Geboren rond 1870 ongeveer, die anderen 1895. 

Mijn moeder kreeg bij haar bevallingen geen zorg, en de kinderen die geboren werden ook niet. Er werd gewoon borstvoeding gegeven. Alles ging gewoon goed. Tegenwoordig mogen ze dit niet eten, mogen ze dat niet eten. Mijn moeder lette nergens op. Van tevoren had ze het uitgerekend hoor: niet ongesteld geweest en daar negen maanden bij optellen. Dan zorgde mijn vader dat hij ergens lag en ging hij aan wal zoeken naar een vroedvrouw. Sommigen wilden niet aan boord, omdat het benauwd was. Maar in Amsterdam en in Hoogkerk kenden ze er één die dat wel wilde. In het achteronder bij de bevalling helpen. Wij mochten niet in de buurt zijn, wij zaten in de stuurhut. Mijn vader zei dat er een vrouw kwam met een koffertje, daar zat een nieuwe baby in. 

Toen de laatste geboren werd was ik bijna achttien en met mijn oom en tante mee aan het varen. Toen ik thuis weer aan boord kwam was er een zusje bij. We lagen toen langere tijd in Amsterdam, mijn vader was daar bij de stadsreiniging gaan werken op zo’n bootje. Iedereen die ons kende dacht dat het mijn kind was, omdat ik een tijd weg was geweest. Daar werd ik door de hele buurt op aangekeken.

De feestdagen

Er was eigenlijk geen vrije tijd aan boord, behalve ’s zondags. We voeren nooit op zondag. Tegenwoordig kan het haast niet meer, dat je dat niet doet. Maar op zondag lagen we stil, en als er een kerk in de buurt was gingen we daarheen. Als dat er niet was gingen we bijvoorbeeld het weiland in, om bloemetjes te plukken voor mama. Dat soort dingen. Maar vrije tijd, echt vakantie vieren, deden we niet. Dat deden schippers geen van allen, volgens mij. 

Met feestdagen lagen we ook stil ergens. We hadden een kerstboom aan boord met kerst, met echte kaarsjes. En kerstkransjes, hangertjes, van alles en nog wat. We kregen voor het naar bed gaan altijd een kerstkransje, die mochten we uit de boom pakken. Er staat in het boekje nog een verhaal dat we vadertje en moedertje speelden, en toen mijn moeder terugkwam was de kerstboom leeg. Er stond een emmer water bij met een spons. Die kerstboom kochten we gewoon op de wal. Hij bleef altijd staan tot oud en nieuw.

Als we toevallig in de buurt lagen van een kerk waar een dienst was, een jeugddienst, gingen we daarheen. Maar dat was bij bekenden in de buurt. Meestal niet. Toen mijn vader ziek was, lagen we in Leiden, daar hebben we de kerstviering met de zondagsschool meegemaakt. Dat was in 1955. Bij die diensten waren mensen wel aardig voor ons. Je had ook mensen die ons afwezen, meestal kinderen. Ik snap niet waarom kinderen dat speciaal deden.

De Amsterdamse kinderen hadden het gevoel dat ze allemaal arbeiderskinderen waren, allemaal hetzelfde, en wij waren minder dan dat. Terwijl de schippers eigen schepen hadden en eigenlijk zelfstandig waren. Maar zo werd er naar je gekeken: als zwerver, zigeuner, allemaal één pot nat. Zo’n gevoel had ik altijd. Nu vind ik het fijn dat ik die achtergrond heb, het is iets om over te denken.

Met oud en nieuw werd er in ieder geval niet opgebleven. Mijn moeder heeft nooit oliebollen voor ons gebakken, ik denk dat dat zou stinken in die kleine roef. Later deden we dat zelf, in het vooronder. Dan kwam de halve steiger een oliebolletje halen, die roken dat. Er was wel gezelligheid op de steiger. 

Met Pasen was er in Amsterdam een speciale paasbijeenkomst voor schippers, die kwamen daar bijeen voor een paasontbijt. Je kon er zo veel eieren eten als je wilde, ik herinner me dat ik er van misselijk ben geweest. Paaseieren zoeken hebben we nooit gedaan. Als iemand jarig was ging mijn vader heel snel van boord even ergens een cadeautje halen, altijd heel summier. Mijn vader moest dan weer iets bedenken voor ons. Met Sinterklaas hetzelfde. Toen zetten we altijd een bord bij de kachel, waar het cadeautje in kon. Ik herinner me dat ik een knot katoen kreeg met breinaalden. Ik denk dat toen we heel klein waren, er nauwelijks aandacht aan werd besteed. Er was gewoon geen tijd voor. 

Liedjes deden we ook niet echt, ondanks dat mijn moeder een hele mooie stem had. Mijn vader deed wel gedichtjes met ons:  

Douwdoudeine, die kwam van Brugge
met de knapzak op zijn rugge.
En met een stokje in zijn hand.
Zo kwam Douwdoudeine door het land.
Douwdoudeine, die rare snater.
Viel met zijn billen in het water.
Douwdoudeine werd helemaal nat.
Wat een rare snater was dat.

Dat gaat over mijn broertje, toen die in het water gevallen was. En als we aan boord kwamen met de jongens maakte mijn vader van appels een soort kapitein. Hij sneed ze uit en gaf ze oogjes en een neusje, een petje op en een lucifer in de mond. Hij was altijd een beetje aan het klungelen, hij maakte ook bootjes en zo. Heel actief voor ons. Als ik geslaagd was voor een diploma kocht hij bijvoorbeeld een broche voor me, en een horloge heb ik eens gekregen. Mijn moeder deed dat niet, maar die kwam haast de wal niet op.

Ik denk dat zij toch heel veel gemist heeft. Ze heeft een beetje gevangen gezeten met de kinderen op het schip. Mijn moeder was de hele dag druk. Wassen, mijn vader helpen. Ze maakte veel kleding zelf, zat veel te naaien. Ze heeft een opleiding nuttig handwerken gehad, dus ze kon goed naaien, breien, haken, alles. Dat leerde ze mij jong ook al. Toen ik in Leiden op school was, kregen alle kinderen breiles. Ik zat met grote ogen te kijken, ik kon dat allang. Maar goed, zij hebben altijd op straat gespeeld, ik heb thuis zitten breien en naaien. 
Mijn moeder had wel fotograaf willen worden. Als kind had ze al een fototoestel gekregen. Vandaar dat we al die foto’s hebben uit die tijd, veel schippers hebben dat helemaal niet. De rolletjes lieten we ontwikkelen als we ergens wat langer lagen, of we gaven het af bij mijn opa en oma. 

Als een schipper overleed, gingen alle schippers in de buurt met de vlag halfstok. Ook als je hem niet echt kende. Er was een keer een feestdag, iets van het koninklijk huis, maar omdat er een schipper was overleden waren alle vlaggen halfstok. Daar werden ze op aangekeken, maar ja, wat is belangrijker? Het was gewoon de gewoonte, ik denk dat die er nu niet meer is. Veel schippers zijn geen eigenaar meer van hun schip. En wat er nu op die schepen woont in Amsterdam, dat zijn mensen van de wal die het leuk vinden om op een schip te wonen. Ik geloof niet dat schippers streng waren in het volgen van het vlaggenprotocol van het Koninklijk Huis. Mijn ouders volgens mij ook niet, maar als er een schipper overleed, ging de vlag halfstok.

Het schip herinneren

Het schip heette Climentina, zo heette de vrouw van de vorige eigenaar. In 1948 hebben mijn ouders het gekocht. Mijn vader had later een motor voor achterop gekocht, en hij wilde het schip hernoemen naar Deo Gratias, maar dat is er nooit van gekomen. Hij kon het geld niet lenen om de motor erin te laten bouwen, dus die is weer verkocht.
In de roef hadden we een hoekkast, met servies en dergelijke erin. Aan de andere kant een kledingkast. Daartussenin was een houten bank met een klep, daarin hadden we altijd de vuile was. We hadden een koekoek, zo’n lichtkoepel, op de roef waar wat licht naar binnen viel. En twee ramen aan iedere kant, en voor twee kleine raampjes. Die koekoek kon je openzetten als het warm was.

Als het schip op de wal lag, buiten het water, werd er een ton onder de uitgang van het toilet gezet. Zo kon je aan boord naar het toilet, want je kon er bijna niet af. Het was wel een afgesloten toilet, maar zonder doorspoelen of zo. Gewoon een buis die naar beneden ging. Het plonsde gewoon in het water. In de stuurhut was het echt koud. Daar was geen verwarming. ’s Winters droeg mijn vader lange, wollen onderbroeken. In de theehut hadden we een oliekacheltje. En een kleine haard in de roef. Warm water hadden we wel, uit een zakketel die eigenlijk altijd op de kachel stond. 

Eigenlijk ben ik best trots dat ik dit meegemaakt heb. Ik voelde me apart van de anderen, niet eenzaam, maar apart. Ik zag andere dingen van de wereld. Aardrijkskunde kregen we later op school, maar ik zag het allemaal in levende lijve. Als ze vertelden waar Rotterdam lag, of deze rivier, dat kanaal, zag ik het voor me. Niet de kaart met die streepjes. Hetzelfde met het lezen van dat boekje. Mensen van de wal kunnen zich dat niet indenken, maar ik weet dat mensen van het water daar emotioneel van worden. Zij herinneren zich dat, hun verleden gaat weer leven. Dat zijn verschillende werelden.

De Climentina (particuliere collectie)
Over de auteur

Debby Davidse zet zich als zelfstandig projectleider en programmamanager in voor cultuurhistorische en landschappelijke opgaven. In samenwerking met het Binnenvaartmuseum in Dordrecht interviewt ze oud-binnenvaartschippers en hun families om het immaterieel erfgoed van de binnenvaartcultuur vast te leggen. Casper Burghoorn is als redacteur betrokken bij dit project.

0 reacties

Plaats een reactie

Ontdek meer

Heb jij een verhaal over de Zuid-Hollandse geschiedenis?

Welk verhaal mag volgens jou niet ontbreken op deze website? Deel je verhaal of tip met de redactie! Lees de voorwaarden en tips voor het schrijven van een verhaal.

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.