Naar overzicht

Binnenvaartverhaal Wim van Hooren: Parlevinker op de Maas

Debby Davidse en Casper Burghoorn

Wim van Hooren uit Belfeld (1948) werkte van 1964 tot 2008 als parlevinker op de Maas. Zijn schip Time is Money ligt in de Leuvehaven in Rotterdam.

‘Wat moet dat bootje kosten?’

Mijn vader en moeder voeren al met de parlevinker. Mijn vader is daar in 1932 mee begonnen. Hij vervoerde met mijn opa met een sleepbootje dakpannen van Belfeld naar Alkmaar, naar steenkoperijen Stoel en De Wild. Mijn oma gaf dan boterhammen mee voor twee, drie dagen, dan konden ze in Alkmaar weer nieuwe halen. Op een gegeven moment kwamen zij voor Hardinxveld in de mist te liggen. Patsboem. Ze konden niets meer. Daar lagen ze, twee dagen, drie dagen mist. 

Toen kwam er een parlevinker, Piet den Breejen uit Hardinxveld langs. Toen zei mijn vader tegen mijn opa: ‘Dat is potverdikke een leuk beroep. Dat zou ik nou ooit wel willen gaan doen.’ ‘Oh’, zei opa, ‘Dat is helemaal geen probleem. Ik vraag aan die parlevinker of dat bootje te koop is.’ ‘Alles is te koop’ zei Den Breejen. ‘Wat moet het kosten?’ ‘400 gulden’ ‘Dan is-t-ie  verkocht’ zei opa, ‘en dan komen we hem over 6 weken ophalen.’ En ja, zo gezegd, zo gedaan. Ze komen terug en het bootje werd meegenomen naar Belfeld. En zo is mijn vader daar mee begonnen. Het was maar een klein bootje. Ze verkochten een beetje groenten, een beetje aardappelen en klompen.

Het bootje dat mijn vader toen heeft gekocht was een ijzeren vlet, die voer op diesel. Met een voordekje en een open kuip. En achterop had je een heel klein roefje waar je je spullen dan in kon doen ’s avonds. En andere spullen, ja, die moest je dan mee naar huis nemen. Later heeft mijn vader die vlet nog omgebouwd, met een ijzeren opbouw, met een dak van ijzer en met zinken platen erop. Maar die is op een gegeven moment in brand gestoken. Toen is hij helemaal, helemaal, ja, ontzet. Later is deze weer opnieuw opgebouwd.

Tweede Wereldoorlog

Van mijn vader heb ik verhalen gehoord over de Tweede Wereldoorlog.  Aan de Belfeldse kant van de Maas zaten de Duitsers, aan de andere kant de Engelsen. Die Engelsen schoten alles helemaal naar de Filistijnen natuurlijk, dus mijn vader heeft het bootje toen laten zinken. De naam Time is Money bleef net te zien boven water en de Engelsen die zagen de Engelse naam en hebben het bootje niet beschoten. Toen de oorlog voorbij was heeft mijn vader hem leeggepompt en helemaal gerestaureerd. Anders was het hele bootje weggeweest. Verder vertelde mijn vader wel dat hij Fransen overzette met een roeiboot in de oorlog. Maar hoe en wat precies, dat weet ik niet. 

Nieuwe boot

Na de oorlog werd de boot te klein. Het werd zo druk voor de sluis in Belfeld. Er was één sluis  en de scheepvaart werd meer en meer en meer. Voor de huizen die tijdens de Wederopbouw werden gebouwd moest er veel zand en grind komen. Dat kwam van de Maas vandaan. Er lagen soms 200 schepen voor Belfeld te wachten. Er was geen ruimte om al die spullen mee te nemen. Toen zei mijn vader: ‘Ik ga een nieuwe boot bouwen.

In 1962 is hij naar Eltink in Mook gegaan, een werf. Daar is de Time is Money gebouwd, dat was de eerste parlevinker die op die werf is gebouwd. Allemaal met eigen ideeën van mijn vader, waar de werfbaas niet altijd even enthousiast over was. Mijn vader zei bijvoorbeeld ‘Ik wil twee roertjes hebben, eentje in de stuurhut en eentje op de trap aan de zijkant.  De werfbaas vond dat niet nodig, maar mijn vader zei: ‘Ik wil dat, want als ik bij een schip langszij moet komen kan ik het roertje hier gebruiken’. Na lang wikken en wegen heeft mijn vader toch gelijk gekregen. Hij zei: ‘Je steekt er een as door, je pakt een stuurrad van een Mercedes vrachtwagen en die sluiten we er als extra stuur op aan’. Het was een gigantisch succes en de werf gaf later toe dat hij het goed had gezien.

Over de werf: Eltink, die kwamen oorspronkelijk uit Leeuwen. Die boten werden ook wel Leeuwse vletten genoemd. Toen Harry Eltink ruzie kreeg met zijn vader is hij in Mook begonnen. Op de nieuwe boot kwam ook een diepvries en een koelkast. Een diepvries, daar had in 1962 nog bijna niemand van gehoord. Daar nam mijn vader spullen in mee, groenten van de Iglo en later ook frikandellen enzo. Dat was een groot succes.

Schippersinternaat

Toen ik vijf of zes jaar was ben ik naar de kostschool in Oud Gastel (Brabant) gegaan. Dat was een schippersinternaat. Daar had mijn vader goed over nagedacht, want hij zei: ‘Als je later het werk op de parlevinker overneemt dan heb je alvast klanten.’ Het leven op dat internaat was mooi en niet mooi. Daar heb ik vier jaar doorgebracht. Er waren broeders en ik heb veel, veel, veel slaag gehad. Toen was ik niet het liefste mannetje. Daarna ben ik naar Eikenburg in Eindhoven gegaan. Daar heb ik de lagere school afgemaakt en toen ben ik naar de MULO in Tegelen gegaan. Het ging niet goed daar, ik studeerde niet graag.

Als ik boven op mijn kamertje zat en mijn ouders aan het werk zag op de parlevinker wilde ik helpen. Ik bleef zitten en mijn vader zei: ‘dan doen we maar een jaartje over’. Dat tweede jaar werd alleen ook niks. Met Hemelvaartsdag ging mijn vader met de directeur praten: ‘Wim die komt van school af en die gaat met mij meevaren’. Toen was ik 16 jaar. Tot die tijd heeft mijn vader met een nichtje gevaren, zij hielp op de boot, maar die ging trouwen. Zo ben ik begonnen met de parlevinker. 

Een gewone dag 

Het was hard werken van maandag tot zaterdag. Ik begon altijd ’s morgens tussen vijf en zes uur met het inladen van de boot, zodat ik op tijd de schepen weer kon bevoorraden die langs Belfeld of voor de sluis lagen. Zodra ik de boot vol had, vertrok ik. De bakker kwam rond acht uur met vers brood. De verse groenten hadden ik dan al samen met mijn vrouw uit de koeling gehaald. De boot was voor de rest al ingeladen en dan vertrokken we van de steiger om de eerste schepen te helpen. Er zijn vaste klanten bij waar je zo naartoe gaat, maar er zijn ook klanten die met een toeter duidelijk maken dat ze boodschappen nodig hebben. Toen ik met varen begon was er nog geen marifoon en werd er getoeterd, gefloten of gezwaaid als ze mij nodig hadden.  

Later werd het steeds drukker voor de sluizen. Er kwamen steeds meer schepen te liggen, dus dan ging je al die schepen langs. Tussen de middag probeerde ik naar huis te gaan om te eten. Als het druk was dan moest dat overgeslagen worden, maar ik had genoeg voorraad bij me om af en toe zelf een hapje te nemen. Tegen de avond was de voorraad wel wat opgeraakt en dan ging ik weer naar huis toe om nog wat te halen. Meestal voer ik tot een uur of negen, half tien ’s avonds door. Als er dan even geen scheepvaart was, ging ik naar het personeel op de sluis. Die mensen had ik ook hard nodig. Want als er een schip kwam en die schipper kon mij niet bereiken, dan ging er een telefoontje van de sluis naar huis toe om mij te waarschuwen. Op zondag ging ik met de kinderen op pad. Fietsen of ergens naartoe.

Toen kwam de marifoon. Dat is schip-schip contact. Ik stond altijd op kanaal 77. Toen kwam Radio Scheveningen. Toen kregen we thuis telefoontjes van Radio Scheveningen om de bestelling door te geven. Toen kwam de fax, daar hebben we ook toch nog veel bestellingen van. Daarna kwam de mobiele telefoon, dat was eerst meer een soort draagtas met een hoorn. Die stond op de marifoon. En toen de mailtjes. Het aantal klanten per dag zal in de jaren 1970 en 1980 tussen de 100 en 120 zijn geweest. Het lag ook aan het weer. Als er mist of storm was. 

Lange werkweek

Je was een zelfstandige ondernemer en een schipper kon natuurlijk niet altijd in winkeltijd langskomen. Als een schipper om 10 uur komt, dan moet je er ook zijn. Dus mijn uren waren altijd van ’s morgens zes tot 's avonds 10. Minimaal, het kon ook soms wat later worden. Dat waren natuurlijk 100 uren in de week. Maar 100 uur met plezier werken is beter dan 20 uur met chagrijn.

Op feestdagen werkte ik niet. Alleen bij heel hoge uitzondering als mensen in nood zaten. Zo van ‘Wim komen uit België en we hebben nog een en ander nodig’. Of ‘we moeten naar Duitsland toe’ en het ging om meer dan een paar dingen. Dan maak je er een uitzondering voor. Maar dat kwam misschien twee keer per jaar voor. In de aanloop naar de feestdagen gingen schepen meestal naar huis toe, dus je had minder schepen die langskwamen. Dat was voor ons dus geen extra omzet.

De vader van Wim van Hooren met de overgenomen parlevinker, 1932 (Particuliere collectie)

Ik was ook een soort sociaal werker. ‘Wim heb je Klaas gezien? Of: 'Heb je dat en dat schip gezien? Die moet voor mij lossen.’ ‘Heb je mijn familie nog gezien?’

Klanten

De groothandel kwam iedere week met containers vol. De levensmiddelen kwamen thuis droog in het magazijn te staan. Flessen bier en limonade die konden in het schuurtje. We hadden een sigarettengrossier, koekjesleverancier, de groentenman, de slager. En dan hadden we nog de aardappelboer, die kwam 1000 kg aardappelen per week brengen. Als de bakker af en toe te laat was, was ik wel eens boos, want dan zat je daar te wachten en de klanten voeren voorbij.

Ik heb nooit reclame gemaakt in een blaadje, mond op mondreclame was voor mij het voornaamste. Je hoorde wel eens schippers zeggen: ‘Waarom kopen jullie allemaal bij die Time is money?’ Ja, die man, die ligt ons beter, werd er dan gezegd. Kijk, je moet ook met de mensen communiceren. Ik heb mooi kunnen samenwerken. Er waren wel eens schippers die zeiden ‘Wim, wij komen de sluis uit, gooi eens even een brood’  of ‘Gooi dit eens even op.’ En betalen komt wel eens een keer.  

Soms waren er klanten die durfden mij niet te roepen, omdat ze maar één brood nodig hadden, of een krant, ik noem maar wat. Ik zei altijd ‘mensen, jullie moeten gewoon roepen en wat je nodig hebt, moet je kopen. Gewoon doen.’ Ook als je alleen een pak melk nodig hebt. Prima toch, hier heb je twee gulden 40 of zoiets. Dag en goede reis. Dat werden soms de grootste klanten. 

Grote golven

De naam Time is Money had mijn vader bedacht.  Die zei altijd: ‘Luister: tijd is geld. Die vrouwen die bij ons komen kopen moeten opschieten, want we moeten weer naar de volgende klant toe.’ Het waren vaak de vrouwen die de boodschappen deden, maar je had ook vrouwen die durfden niet te komen. Die gaven een briefje aan hun man en dan deed ik de boodschappen in dozen. Als een schip een net geverfde boeiing had bijvoorbeeld, dan hield ik daar rekening mee. Ik had er altijd een verschrikkelijke hekel aan om bij andere mensen iets te vernielen. Dan ging ik altijd een boldertje vooruit liggen. ‘Wim, kom maar achterop liggen’, zei zo’n schipper dan. Nee, ik kom niet achterop liggen. Ik heb allemaal teer en ga niet op jouw witte band liggen. Dan zei zo’n schipper: ‘Oké, dan kom ik wel even boodschappen doen, want de vrouw die gaat niet in het gangboord.’

Soms was er wel flinke golfslag, als je schepen tegenkwam. Als ik dan boodschappen aan het overgeven was aan een vrouw en je zag het niet op tijd, dan waren er soms grote golven. Dan klatsten die golven ertussen. Die vrouwen waren dan af en toe helemaal zeiknat en ook mijn spullen waren dan nat. Dat was foute boel natuurlijk.

Regels

In de tijd van mijn vader was het verplicht om groen-witte blokken op je schip te zetten. Dat was een teken dat je een verkoopschip was, een parlevinker of een olieboer. De rijkspolitie heeft dat ingevoerd om de boel een beetje te reguleren. Dan konden ze zien wie de officiële waren. Je had schepen met rood-witte blokken, dat waren opkopers, van restlading of oud ijzer. En je had scheepjes met zwart-witte blokken. Die laatste zijn er nu nog, dat zijn de roeiers in de Rotterdamse haven, die pakken de touwen aan van de zeeschepen. Die hebben zwart-witte blokken. Dan had je ook nog vergunningen om op de rivier te varen. Op de Maas waren 16 parlevinkers, iedere parlevinker kreeg eigen traject. Dus wij konden van Belfeld tot Arcen komen, en de parlevinker in Steyl kon van Venlo tot de bocht van Neer komen. Zo kreeg ieder zijn eigen traject om verkoop te regelen. 

Sociaal

Wij lagen in Belfeld. En die schepen die van Maastricht of van Roermond kwamen, die kwamen bij mij dan langs. En die parlevinker aan de andere kant, die pakt de schepen in de andere richting.  Dus we hadden gedeeltelijk dezelfde doelgroep maar ook allebei een andere groep klanten. Wij hadden veel zand- en grindschippers en die andere parlevinkers, zoals in Maasbracht ook wel. Maar daar was een schippersbeurs en die hadden weer klanten die op die schippersbeurs lagen. Dus het was toch altijd toch wel qua klanten verschillend.

Sommige klanten zag ik twee, drie keer per week. Of één keer per week. Er waren ook klanten die een keer in de maand naar Duitsland voeren. Toen mensen nog geen contact hadden met de marifoon en telefoon was ik ook een soort sociaal werker, of hoe moet je dat noemen. ‘Wim heb je Klaas gezien, of heb je dat en dat schip gezien? Die moet voor mij lossen.’  ‘Ja, die en die is gisteren al voorbijgekomen’. Zulke dingen allemaal. ‘Heb je mijn familie nog gezien?’

Wat mijn vrouw ook veel gedaan heeft, zij deed alles aan de wal natuurlijk, dan kreeg ze weer eens een telefoontje ‘Hanny, wil jij de kinderen van ons even van de trein halen? Die komen van school. Als we langskomen dan zet Wim ze wel even aan boord’. Dat deden we dan ook. Of we brachten de kinderen naar een internaat. Of ik ging naar de apotheek om spullen te halen voor de mensen. Dat hoorde er allemaal bij. 

Ik heb ook wel eens zieke mensen van boord gehaald, en een keer een overleden man. Toen stond er een dokter aan de deur te bellen. ‘Wim, ik heb een probleem. Ik moet een persoon van een schip afhalen, zou jij met mij daar naartoe willen varen?’ Natuurlijk, dus ik heb het achterdek helemaal leeggemaakt en ben met hem naar die tanker gevaren, die lag in het stuwgat bij ons. We komen daar langszij en toen was die man overleden. Die is toen op een brancard gelegd en toen hebben ze hem achterop gelegd en zijn we naar de wal gevaren. Daar stond de wagen klaar om die man mee te nemen. We brachten ook wel mensen naar de dokter of naar het ziekenhuis. Daar kregen we geen geld voor, dat deden we gewoon. Dat was ook gewoon goodwill. Je krijgt er wel weer wat voor terug met inkopen hè. 

Eveline van Hooren: De weegschalen aan boord werden ook wel voor andere doelen gebruikt. Mensen die kleine kinderen hadden, die konden niet naar het consultatiebureau. Die kinderen werden in de weegschaal gedropt en gewogen. Dat hielden ze dan zelf bij. 

Kolen, diesel en schoenen

Ik had altijd een kolenkachel in de boot. Mijn vader zei al ‘Ik wil geen petroleum of diesel kachel in de boot hebben. Als je daar iets aan krijgt, gaan de levensmiddelen allemaal naar de olie smaken. En dat was bij heel veel parlevinkers. De koekjes, het beschuit, die namen heel gauw de lucht van diesel op. En er waren ook een heleboel parlevinkers waar de mensen niet meer kochten, omdat ja, die smaak was er... Mijn vader heeft er in 1962 een een luchtgekoelde motor ingezet. Die zoog de vuile lucht eruit en aan de andere kant buitenboord. De motor maakte natuurlijk wel veel herrie, maar wij hadden geen diesellucht. Dat was echt heel goed bekeken van mijn vader. Het was natuurlijk niet altijd even gezond hè. Je kreeg natuurlijk de lucht binnen van andere schepen. Het was niet altijd happy.

Mijn vader verkocht al schoenen en wij ook. Toen waren er veel van die schippersschoentjes en schippersklompen. Daar was ook iets moois mee. Op de Geertruida, dat schip ligt nog in de Leuvehaven trouwens, voeren drie broers en twee gezusters. Die kochten bij ons, maar die plakten stukken autoband onder de klompen. Dan slijten ze niet. Het waren heel zuinige mensen. Op een gegeven moment kwamen ze met een verouderd briefje van 25, maar die waren toen helemaal niet meer geldig. ‘We hebben nog een heel pak liggen’, zeiden ze tegen mijn vader. ‘Ga maar naar de Nederlandsche Bank’, zei mijn vader. 

Hoog water

Bij ons heb je nooit – zoals op de Rijn – laag water. De Maas is gekanaliseerd, met stuwen. Wij hadden soms wel last van inkomstenderving door hoog water, in de jaren ’80 en ‘90. Dan was het water zo hoog dat de Maas gesperd, gestremd werd. Dat ze niet meer mochten varen. Dan had je geen omzet en lag je met de hele handel thuis tegen de kant. Had je niks. Je zag het wel aankomen, dus dan kocht je minder in.

Ik had goede contacten met de sluismeester dus dan hoorde ik van hem ‘Wim, hou er rekening mee, over drie, vier dagen gaan de stuwen eruit. Soms had je ook nog ijsgang. Dat hebben we ook vijf keer meegemaakt, onder meer in 1963. Dan valt de boot gewoon aan de steiger, zet je hem droog. Het water wordt eruit gelaten, want die stuw die mag er niet in blijven. Kruiend ijs is zo sterk dat ze heel die stuw weg kan duwen. Als ik dan thuiskwam dan werd er een pot teer gepakt en dan zat je onder die boot. Roestbikken en teren. Ach, dat waren slechte tijden hoor met die vorst. Later mochten we in de sluis gaan liggen, dan lag je ‘in Abrahams schoot’ (genoeglijk, rustig, red.).

De parlevinker in actie: naast het schip Veerhaven IX (Particuliere collectie)

Gejaagd

Ik kende alle prijzen uit mijn hoofd. Het moest ook allemaal vlug. Soms waren er 12 schepen die de sluis in moesten. Hup hup, brood 60 cent, alles optellen. Het was echt af en toe heel gejaagd leven. Maar als je dan met twee man bent dan kan de ene het opschrijven en de ander kan het aangeven. En dan hup, optellen en klaar. Er was geen een parlevinker die geen hulp had. Toen dat meisje bij mijn vader wegging en ik in 1964 aan boord kwam zei mijn vader: ‘we gaan het nog anders doen, we kopen een telmachientje.’ Dat ging nog vlugger dan handtellen.  

Sluiswachters

Eveline van Hooren: De sluiswachters hielpen ook wel. Je had drie sluizen: bakboord, stuurboord en de oude sluis. Maar als mijn vader het niet bijhield dan deden de sluiswachters soms ook een beetje langzaam. Bijvoorbeeld door een schip te weinig in de sluis te laten. Wim: Ik had gigantische medewerking van die sluismeesters. Als het zo druk was voer ik met een schip de sluis in en als ik tussen de deuren zat duwde ik op de hoorn van de marifoon.  Dat had ik met de sluismeester afgesproken. Ik zei luister: ‘Als ik tussen de deuren zit, draai me niet die deur dicht, wachten totdat ik klaar ben.’ Dus die schippers keken soms achterom en zeiden dan ‘Er komt niks meer hoor sluiswachter,’ ‘We gaan zo de deuren dicht draaien’. Dus ik gauw vol in de achteruit en … ja ja, dat was medewerking.

Later werd er door de schippers dan wel over de marifoon tegen de sluismeester gezegd: ‘wat was dat nou met die parlevinker?’ ‘Ja’, zei die sluismeester, ‘leven en laten leven hè.’ Als het hoogwater was lag er op de sluis een laagje slib. Dan zei de sluismeester: ‘Joh Wim, kom even langs. We moeten schrobben, dat slib eraf halen.’ Dus dan voer ik even vol langs, zo dat die golven een beetje kabbelen en dan spoelde dat gelijk schoon. Dat was allemaal medewerking hè. 

Poolse schepen

Vanaf eind jaren ’60 kwamen er veel schepen uit Polen.  Die hadden meestal alleen mannen aan boord. Die mochten hun vrouw niet meenemen, want de angst was dat die hier van de boot af zouden stappen. Van de drie man aan boord was er dan eentje bij van de Stasi zeg maar, die moest de andere twee in de gaten houden. Op een gegeven moment hadden die mensen ook kleren nodig. Ik kreeg van schippers oude kleren mee om aan hen te geven. Daar waren de Polen zo dankbaar voor dat ik kolen van ze kreeg. Zo veel, dat ik nooit van mijn leven meer kolen heb hoeven te kopen hè. Het waren vetkolen. Ik heb ook een keer een zakje aan de sluismeester gegeven. Maar die kwam drie dagen later terug en zei ‘Wim, ik hoef nooit meer die kolen van jou!’ Hij had ze in de kachel gedaan en ze brandden prima. Maar toen hij het deurtje openmaakte, werd de hele kamer zwart! ‘Ik was net Zwarte Piet’, zei hij. Ja, je moest er wel mee kunnen stoken, je moest ze af en toe doorsteken, dan ging het prima. 

Sterke drank

Wij waren de eerste parlevinker die sterke drank mocht verkopen. In 1968, toen ik net bij mijn vader aan boord was, had mijn vader ergens gelezen dat een SRV-wagen sterke drank mee mocht nemen. Mijn vader is er toen met de wethouder van Belfeld achteraan gegaan om een vergunning te krijgen om jenever te verkopen. Dat heeft wel wat voeten in de aarde gehad, maar in de jaren ‘70 kreeg mijn vader een vergunning. Tot die tijd verkochten we het wel, maar onder de toonbank. Als de politie langszij zou komen mochten ze niet zien dat wij sterke drank verkochten.  Op een gegeven moment was er een schip tegen ons aangevaren. De politie moest erbij komen. Toen waren er twee flessen sterke drank kapot, maar daar heb ik de politie toen maar buiten gehouden… 

Grap

Dezelfde sluismeester, Louis, rookte sigaren. Ik verkocht hem een keer een doosje Hofnar voor 25 gulden en toen hebben we een grap uitgehaald met zijn collega. Ik had allemaal spiksplinternieuwe briefjes van 10 gulden, en we douwden er eentje onderin. Ik zei ‘als jij aan het roken bent, dan moet je tegen John zeggen: Moet je kijken joh, dan ben je sigaren aan het roken en dan krijg ik er een tientje uit. Volgens mij is dat een actie. Ik weet het ook niet. ’Komt die andere sluismeester later naar me toe. ‘Wim, heb je ook een doos van die sigaren voor mij? Dus hij nam die mee en hij betaalde. Even later kwam hij terug. Hij zei: ‘Klopt het wel joh, bij mij zit er geen tientje in.’ ‘Ach, dan heb je pech.’ ‘Geef me nog maar een doos’, zei hij. Die hebben we toen zo mooi te grazen genomen. Zulke dingen maakten we allemaal mee op die sluis. Zo hou je de moed erin hè. 

Hondenvoer en Playboy

We verkochten van alles. Ook hondenvoer, voor schippers met honden aan boord. Bonzo, Chappi, Frolic, Rodi. Als iemand iets wilde dat ik niet had, dan zorgde ik ervoor dat ik de volgende week of als de schipper weer kwam, dat ook in het assortiment had. Zo werd het assortiment steeds uitgebreider. Later ging mijn dochter tijdens de vakanties met mij meevaren. Zij verkocht dan de kranten op de sluis, dat was heel druk. En in de zomertijd verkocht ze daar de aardbeien. Die boer waar we de aardbeien haalden kon mijn dochter niet bijhouden met plukken, zoveel verkocht ze. Dat was geweldig.

Eveline van Hooren: Er waren ook veel mannen die kochten de Playboy. Die moest ik dan bijvoorbeeld in De Telegraaf rollen. Wim: Ja, er kwam er een schipper uit Werkendam die zei: ‘Wim, heb jij nog een Donald Duck voor grote mensen?’ Geen probleem. En dan moest de Playboy in het Algemeen Dagblad geduwd worden. ‘Dus doe ook maar even een Algemeen Dagblad.’ Toen deed ik die in de tas en moest die vrouw afrekenen. Die Playboy was toen 7,50 of zoiets. Toen zei die vrouw: ‘Wim, dat vind ik wel wat veel geld voor wat hier in zit.’ Toen zei ik: ‘Nou, dan moet je mij niet aankijken, dan moet je zo in de stuurhut maar even kijken. Ik doe alles erin wat besteld wordt.’ Dat kreeg ik de volgende keer dan wel te horen van haar. Maar ja, als die man dat bestelt bij mij, dan doe ik dat toch.

Tax free

Na de watersnood in 1995 zei een schipper tegen me: ‘Wim, jij moet beginnen met tax free. Dan kan je de omzet flink opvijzelen, want daar is behoorlijke vraag naar door schippers die naar bijvoorbeeld Duitsland en België voeren. Ik ben dat gaan onderzoeken. Die spullen zouden we dus kunnen verkopen aan schepen die binnen de Europese Unie voeren. 

Ik ben in Lobith gaan kijken. Mijn dochter is bij Stena Line gaan vragen hoe zij de inkopen deden. Want hoe kom je aan tax free sigaretten en drank, waar koop je dat in? Die bleek je in Barendrecht bij Paul Wholesale te kunnen kopen. Ook de douane is nog komen kijken. Uiteindelijk konden we de sigaretten tax free inkopen en de dranken inclusief accijns en BTW. Daarvan moest ik dan de verkooplijsten bijhouden en die aan de douane geven. Dan kon ik een keer in de maand mijn BTW met de tax free terugvragen bij de douane. Dat liep op tot 12.000 gulden, later € 10.000 per maand. Dat liep als een tierelier, geweldig. Het ging toen minder met de scheepvaart en dat kon je op deze manier mooi compenseren. Het was bijna niet bij te houden, soms ging het wel om 800 à 900 facturen per maand. Die moest ik allemaal netjes invullen voor de douane. Ik heb dat gedaan tot 2003, toen werd het afgeschaft. Toen stopte de een na de andere parlevinker ermee. 

Ik had een grote klantenkring. 80 procent van mijn klanten waren zand en grind schippers. Wij hadden klanten van de IJssel. En ik had van de grensvloot (Duitse en Belgische schippers) Duitse en Belgische schippers) ook enorm veel klanten. Die andere parlevinkers op de Maas hadden dat niet of in mindere mate. De laatste jaren gingen de mensen het je gunnen. Ik was natuurlijk duurder dan een supermarkt.  Zo heb ik het volgehouden tot 2008. 

De schepen werden groter

Toen ik met mijn vader begon in 1964 waren er 16 parlevinkers op de Maas. Wij voeren boven Belfeld en er was ook een parlevinker die voer aan de andere kant, in Baarlo. Dan was er weer eentje in Venlo, en in Maasbracht waren er een stuk of acht. Ik zag op een gegeven moment wel aankomen dat dit niets voor mijn kinderen kon worden. De schepen werden steeds groter en op ieder schip kwam een autokraan en auto. De diepvries en de koelkast deden hun intrede en dus konden schippers ook zelf goederen mee van huis nemen. De parlevinkers waren op een gegeven moment overbodig, alleen voor wat bier en limonade en zware spullen. groot. Schippers varen nu 14 dagen en dan gaan ze naar huis toe. En ze nemen alle boodschappen mee. Dus zoals het was wordt het nooit meer. Kijk, misschien dat er nog wel iemand gaat beginnen om in de zomer in Friesland of op de Randmeren bier en limonade te verkopen. Maar met levensmiddelen en zo, dat gaat niet meer gebeuren. 

Museum

Nadat ik in 2008 ben gestopt is de boot in 2009 in bruikleen naar het Havenmuseum gegaan. Toen dat museum het moeilijk kreeg, dacht ik ‘als ze failliet gaan ben ik mijn boot kwijt’, heb ik die samenwerking opgezegd en ben ik naar Museumwerf Vreeswijk (bij Nieuwegein, red.) gegaan, ook in bruikleen.  Daar ging het jaren goed tot er een nieuwe directeur kwam en ik rekeningen moest gaan betalen terwijl ik vond dat zij daarvoor verantwoordelijk waren. Inmiddels was het Havenmuseum samengegaan met het Maritiem en daar zeiden ze ‘Nou Wim, je bent hier welkom, kom maar weer terug.’ Dus nu lig ik voor los vast in Rotterdam. 

Ik heb ook een sponsor, daar heb ik een reclamedoek van opgehangen. Dat helpt mij een beetje, want ik heb natuurlijk geen pensioen, alleen AOW. Ik heb natuurlijk wel kosten. Er komen nieuwe letters op de boot, die staan al klaar en zijn helemaal voor mij gemaakt. Er moet een nieuw zeiltje op, dat wordt dan ook weer geregeld. Kijk, als je dat allemaal zelf moet verhapstukken….

Technologie

Ik ben naar de Havendagen geweest in Maasbracht. Met de Time is Money ging ik in Gorinchem langszij bij het motorschip Cornelis R die mij meesleepte naar Maasbracht. De schipper van de Cornelis R maakt gebruik van de trackpilot (stuurhulpsysteem dat de Cornelis R. op een vooraf ingestelde koers of route houdt). Na de boot goed vastgemaakt te hebben ging ik bij de  schipper in het stuurhuis waar de koffie klaar stond een kopje koffiedrinken en gezellig bijkletsen. Hij heeft tot Nijmegen helemaal niet gestuurd. Onvoorstelbaar, ik heb mijn ogen uitgekeken. In Nijmegen is hij op een punt waar hij een sluis in moet, dus dan moet hij weer ingrijpen. Dat gaat niet met track pilot. Ik stond er echt van te kijken. Maar de techniek gaat steeds verder, dadelijk gaan ze onbemand varen op de kanalen in Noord-Brabant. Ook elektrisch varen begint op te komen. 

Reünie

Ik ga af en toe met de boot naar een evenement en daar komen dan allemaal oude klanten. Voor mij is het gewoon een reünie. Ik probeer in stand te houden hoe de schippers vroeger boodschappen deden. Misschien dat mijn dochter Eveline, als ik uit de tijd ben – dat zal ook geen jaren meer duren -, dat zij het op zich wil nemen om af en toe eens naar een evenement te gaan.

 

Over de auteur

Debby Davidse zet zich als zelfstandig projectleider en programmamanager in voor cultuurhistorische en landschappelijke opgaven. In samenwerking met het Binnenvaartmuseum in Dordrecht interviewt ze oud-binnenvaartschippers en hun families om het immaterieel erfgoed van de binnenvaartcultuur vast te leggen. Casper Burghoorn is als redacteur betrokken bij dit project.

0 reacties

Plaats een reactie

Heb jij een verhaal over de Zuid-Hollandse geschiedenis?

Welk verhaal mag volgens jou niet ontbreken op deze website? Deel je verhaal of tip met de redactie! Lees de voorwaarden en tips voor het schrijven van een verhaal.

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.