Naar overzicht

Binnenvaartverhaal Jos Hubens: De binnenvaart op de kaart

Debby Davidse en Casper Burghoorn
05 mei 2026 — 1 reacties

Jos Hubens is zijn hele leven met en in de binnenvaart bezig geweest. Zijn jeugd stond in het teken van de sleepvaart en het schippersinternaat. Daarna is hij zelf gaan varen. Met vereniging en stichting De Binnenvaart en het Binnenvaartmuseum in Dordrecht blijft hij zich inzetten voor de cultuur van de binnenvaart. 'Het internaat is niet de mooiste tijd geweest. Dat had ik best willen missen.'

Aan boord van de Engelina

Het eerste licht dat ik zag was aan boord van een binnenvaartschip. Toen lagen we met ons sleepschip, de Engelina, in het Spuikanaal in Velsen. Daar ben ik ter wereld gekomen. Maar waarschijnlijk had ik daarvoor al een beetje naar buiten gekeken, hoe het er was. Ik had toch wel een hele mooie jeugd. Niet dat we zo rijk waren, zeker niet, maar we hadden een fijn gezin. En er was niks mooiers dan het wonen, leven en werken aan boord. Toen deed ik al dingetjes, daar ben ik een beetje in doorgeslagen, denk ik. Later begon ik me daar steeds meer voor te interesseren, maar dan ga je naar scheepvaartmusea en zie je niks over de binnenvaart. Als je ernaar vraagt moet je eerst uitleggen wat binnenvaart is. Dus toen hebben we zelf vereniging ‘De Binnenvaart’ opgericht, en later in Dordrecht een Binnenvaartmuseum geopend.

We waren erg op onszelf, natuurlijk. Een schip vaart, daar verdien je je geld mee. Maar het leven aan boord, het spelen aan boord, daar is iets moois aan. Je had verschillende soorten ladingen, de ene keer zand, of granen, daar kon je gewoon in spelen. Aan de wal kon dat niet. We hadden ook kippen aan boord, later ook nog duiven, en een hond. Die hadden alle vrijheid. Een beter leven kan je niet hebben als kind. Je wist alleen nooit waar je de volgende dag was. Dat dacht je wel, maar meestal ging het toch anders. Tegenwoordig is dat beter. Maar dat vonden wij niet zo belangrijk. Zodra we ergens lagen ga je de wal op, en ging je op onderzoek uit. Je had altijd wel wat te doen. Van alles verzamelen, visjes vangen. Je kon het zo gek niet noemen.

Speelgoed hadden we ook zat aan boord. We hadden de ruimte, het was een groot sleepschip van zeventienhonderd ton, zesentachtig meter lang en tien en een halve meter breed. Voldoende ruimte om op te spelen. Als de luiken dicht waren, kon je daarop spelen. Een beetje gevaarlijk, maar ja. Dan werd je aangelijnd, zodat je niet overboord ging. Maar daar kon ik niet tegen. Ik draag nog steeds in mijn auto geen gordel. Vrijheid. Mijn broertje en zusjes waren wat rustiger.

Ik had een twee jaar oudere zus, een broer van drie jaar jonger en een zusje van tien jaar jonger. Met kinderen van de wal had ik niet zo veel interactie, soms met kinderen van een schip dat naast ons lag. Mijn kamertje was in het achteronder. Ik dacht dat het heel groot was, maar dat valt erg mee. Aan de ene kant sliepen mijn broer en ik, ieder een eigen bed. Mijn zus aan de andere kant. Toen mijn jongste zusje geboren werd, sliep die boven bij mijn ouders. Toen gingen wij al langzaam weg. Met vijftien jaar ben ik op mezelf gaan varen op een ander schip.

Elke dag was anders. Je hebt geen last van stramien. De ene keer varen, dan weer laden, dan weer lossen. Het onderhoud van het schip moest ook doorgaan. Ik was heel weinig op mijn kamertje, daar had je geen uitzicht naar buiten. En als er wat te doen was, stond ik er altijd met mijn neus bovenop. Ik moest helemaal niets, maar ik deed het voor mezelf.

Ik had een goede vader. Die liet mij ook van alles doen als ik dat wilde. 'Ga de bolders maar vetten', zei hij dan bijvoorbeeld. Want zo’n schip moest gestopt worden met een staaldraad, je kon hem niet in één keer stilleggen. Dan zat ik van onder tot boven in het vet. Net als met de luiken teren, dan zat er bij wijze van spreken meer teer op mij dan op de luiken.

Mijn moeder was ook onderdeel van het bedrijf, zo moet je het zien. Zij moest ook sturen, af en toe een beetje onderhoud doen. Maar het meeste deed mijn vader. Hij was een harde werker, deed vaak meer dan wat er die dag moest gebeuren. Mijn moeder was grotendeels verantwoordelijk voor het huishouden. Als ze aan de wal was en mijn vader had tijd, ging hij pannenkoeken bakken of iets dergelijks. Hij hielp ook opruimen, dat werd een beetje afgewisseld.

Als we aan het varen waren, begonnen we ’s morgens vroeg, en ging mijn moeder daarna nog even slapen. ’s Middags na het eten deed mijn vader nog even de afwas en dan een dutje. Dan stuurde mijn moeder. Mijn moeder kwam ook uit een schippersfamilie. Zij was van 1928 en heeft in de kleinere sleepvaart gevaren. Haar vader zat in het Schippersbondwerk en in de NPRC. Die heeft ook eens een lintje gehad. Ik lijk veel op hem, maar ik vond het niet zo’n aardige man. Ik heb hem niet veel gezien. Toen mijn zusje geboren werd, is hij komen te overlijden.

De keuken, of theehut eigenlijk, lag dwars over het schip. Aan de ene kant was de ingang en een aanrecht, aan de andere kant het eetgedeelte. We probeerden ons aan normale eettijden te houden, maar dat liep altijd anders. Je kan niet gaan eten als je net de sluis invaart. Dan moesten mijn ouders al ruim van tevoren bedenken of we vóór of na de sluis gingen eten. En ik stond bovenop te kijken, ik ging ook niet eten als er iets te zien was. Net doen of ik wat deed. Ik dacht dat ik heel wat deed, maar dat viel mee.

Spelen bij de Engelina (Particuliere collectie)

Toen ik van het internaat ging, heb ik me twee dingen voorgenomen. Mijn kinderen gaan niet naar het internaat en ik ga nooit meer naar de kapper.

Duiven

We hadden veel ruimte, een groot sleepschip. Dachten we toen, want toen ik later nog eens terug ben gaan kijken, vond ik het klein. Omdat je zelf ook steeds ruimer gaat wonen. Maar toen hadden we er helemaal geen erg in. Je had ook mensen op een sleepboot, in een hele kleine woning, of een tjalk of klipper, die hadden nog meer kinderen dan wij. We hadden aan stuurboord een woonkamer. Aan bakboord was een grote slaapkamer en een badkamer. Boven was de theehut, met keuken en eettafel. En dan hadden we nog een tweede verdieping in het achteronder. Dus we hadden ruimte zat.

Aan boord hadden we witte sierduiven. Dat was wel bijzonder, want het schip voer steeds en dan konden ze niet losvliegen. Als we een tijdje ergens hadden gelegen en ze waren gewend, dan ging het herftluik een beetje open. De eerste paar dagen bleven ze rond het schip, uiteindelijk gingen ze een stukje vliegen. Ze kwamen altijd weer terug. Je had tussen twee ruimen in een best groot gedeelte, herft heette dat, ongeveer anderhalve meter breed, vier meter lang. Daar zaten die duiven in. Met gaas eroverheen, zodat ze licht hadden. We voeren meestal graan, dus eten hadden ze zat. In een andere herft zaten kippen.

We hebben ook een konijn gehad. Niet als het konijn van Youp van ’t Hek. Mijn moeder was gek op bloemen en planten, dus die hadden we ook overal staan. We hadden een hond om te knuffelen. Maar het blafte altijd, je werd er gek van. Elk bootje ging hij achterna, van voor naar achter rennen. Het was wel een lief beest. Er zijn ook mensen die van die grote honden hadden om het schip te bewaken. Als je al die schepen langs elkaar had liggen en je moest naar de wal, over de loopplanken die andere schepen langs, kwamen ze allemaal grommend op je af. Daar had ik een hekel aan.

Verbinding met de wal

Boodschappen waren ook altijd anders. Vaak een gedoe, ver weg, zeker als je op een industrieterrein lag. Dan ging je op de fiets, of een eind lopen, of met de roeiboot. Want je kon ook wel eens ten anker liggen, dan kon je niet zo maar de wal op. Met de roeiboot ging je dan aan wal en moest je op zoek naar een winkel. Net als we op zondag op zoek moesten naar een kerk. Dat was niet mijn hobby, maar dat moest toen. We waren katholiek, en op zondag hoor je naar de kerk te gaan. Dikwijls een heel eind lopen. Ik had een hekel aan zondagen, ik vond het zonde van mijn tijd. Later zijn mijn ouders er gelukkig vanaf gestapt. 

We hadden natuurlijk op sommige plekken ook parlevinkers, die alles aan boord hadden. Die kwamen langszij en dan kon je wat kopen. Het was wel een stuk duurder. Mijn moeder hield een huishoudboekje bij van alles wat ze uitgegeven hadden. Ze konden maar net rondkomen. Maar daar hebben wij niets van gemerkt, wij hadden gewoon een fantastische jeugd.

Als postadres hadden we dat van mijn opa en oma in Rotterdam. Dat kon je dus alleen maar ophalen als je in Rotterdam was, dus dat kon wel een paar maanden later zijn. Maar ze belden ook dikwijls, en als ze iets belangrijks verwachtten lieten ze mijn opa het openmaken en vertellen wat erin stond. Op die manier ging dat, met een hoop improviseren.

Telefoon hadden we toen nog niet. Als eerste had je een marifoon, maar daar kon de hele wereld bij meeluisteren. Dat ging via Scheveningen Radio of Koblenz Radio in Duitsland. Via daar kon je dus ook niet alles zeggen, maar het was wel makkelijker als je naar het schip toe moest. Dan lagen ze bijvoorbeeld in Mannheim en kwam ik terug van het internaat, en kreeg ik instructies hoe ik daar moest komen, zodat ze me van het station konden halen. Dat ging ook niet altijd goed, als de trein vertraging had.

Als er familie aan wal overleed werd dat opgegeven aan de waterpolitie, aan hen werd dan doorgegeven waar het schip ongeveer lag. Die kwamen dan het nieuws brengen. Dan moest je ook weer dingen gaan regelen die niet eens altijd konden. Als het schip geladen en gelost moest, ging dat toch voor. Het kost ook geld, je kon niet zomaar zeggen dat je vandaag even niet lost. Dan valt er een hele fabriek stil. De Nederlandse vlag op het schip gaat dan halfstok. Mensen zien dat, en dan gaat het gauw rond wat er is gebeurd. Ik doe het nog steeds thuis, de vlag halfstok als iemand overlijdt. Mijn kinderen doen dat ook.

Als je een griepje had, kon je naar bed als het nodig was. Maar als je een dokter nodig had, moest je iemand gaan zoeken. Je kon ook via de marifoon bellen en medisch advies krijgen. Anders moest je op zoek naar een dokter in de buurt. Dat was ook zo als een vrouw zwanger was. Het schip moest gewoon doorvaren. Die gingen dan zogenaamd van station naar station om ’s avonds ten anker te gaan. Dat was waar een vroedvrouw was. Als er ’s nachts dan iets gebeurde, moest je met de roeiboot naar de wal om die vroedvrouw te zoeken. Die kwam dan aan boord om de bevalling te doen, en als het goed ging, voer je de volgende dag gewoon weer verder. Als er complicaties waren, bleef je liggen. 

Mijn zusje werd geboren toen we ligdagen lagen in Rotterdam. Daar waren ook complicaties mee, dus mijn moeder moest halsoverkop naar het ziekenhuis. De volgende dag werd er gebeld dat we moesten lossen. Dus mijn vader moest gaan varen, weliswaar in Rotterdam, maar hij kon niet zomaar even elke dag naar het ziekenhuis. Het lossen ging toch voor. Daarbij kwam ook nog dat de vader van mijn moeder in die tijd kwam te overlijden. Wij hebben daar weinig van gemerkt, ik zat op het internaat. Maar mijn vader had toch nog de tijd gemaakt om beschuit met muisjes naar het internaat te brengen. Dat vond hij dus toch belangrijk om te doen.

Alles zelf uitzoeken

Aan boord kan je veel meer spelen. Er komt altijd het argument dat ze kunnen verdrinken, dat is ook zo, dat gebeurt wel eens. Maar er komen veel meer kinderen om het leven door het verkeer. Er werd wel over gepraat als ergens een ongeluk gebeurde, maar niet zo veel. Iedereen zit er op dat moment wel mee, maar je moet verder.

Als er onderweg een ongeluk gebeurde, kon het dat iemand daar begraven werd. Meestal kwamen ze op de één of andere manier wel terug naar Nederland. Het was een heel gedoe, natuurlijk. Je kan altijd wel aan de wal telefoneren en iets regelen, maar je moet alles zelf uitzoeken. Tegenwoordig heb je allerlei hulp waar je terecht kan. Dat was aan de wal trouwens ook niet, mensen leefden toch anders. Je kan zeggen dat het harder was, maar mensen vonden het helemaal niet hard. Het was zoals het was. Zelfredzaamheid heb ik mijn kinderen ook geprobeerd bij te brengen. Dat heb ik ook van mijn ouders meegekregen, meer nog van mijn moeder dan van mijn vader. Ik kon goed met haar praten. Mijn vader maakte overal een grapje van. Hij heeft ook het één en ander meegemaakt in Indonesië, daar praatte hij ook alleen gek over. Ook als bescherming voor zichzelf, en voor ons. Dat ga je later allemaal pas zien.

Feest, rouw, en vakantie

Normaal had je achter de Nederlandse vlag hangen. Voor hing de vaarvlag, van de rederij of waar je maar bij aangesloten was. Maar als het echt feest was werd het hele schip volgehangen met vlaggen, van voor naar achter. Bij een bruiloft bijvoorbeeld, dan proberen al die schepen bij elkaar te komen en werden ze helemaal onder de vlaggen gehangen. De bruidegom ging dan zijn bruid halen bij het andere schip, en in de koets of een taxi gingen ze weer verder om de bruiloft te vieren. Het feest achteraf kon ook nog in het ruim van het schip gehouden worden. Maar dat gebeurde niet zo vaak. De één doet het zus, de ander doet het zo. Dat is het mooie van het varen, het is altijd anders. Bij geboortes werd er ook een extra vlag gehesen. Bij overlijden had je speciale zwarte rouwvlaggen, die verschilden tussen katholieken en protestanten. De protestanten hadden een treurboom erop, de katholieken een wit kruis.

Kerst was altijd heel mooi. We hadden gewoon een kerstboom, maar we hadden ook een kerstboom in de mast. Het werd bij ons uitgebreid gevierd. We lagen zo goed als altijd stil met de kerstdagen. De broers en zussen van mijn moeder, die voeren ook allemaal. Die kwamen dan met Kerst allemaal langszij en vierden we het met z’n allen. Ik was ook eens met mijn oom op een schip, dat lag te laden in Straatsburg, en dat duurde allemaal veel te lang. Toen konden we pas in de middag van Eerste Kerstdag in Düsseldorf zijn, waar mijn ouders lagen. 

Bij ons thuis was de Kerstdag zelf het belangrijkst, maar bij de familie van mijn vrouw Kerstavond. Dat is iets meer Duits, zij had ook een Duitse schoonzus. Dat liep sowieso een beetje door elkaar, die taal van hun binnenvaart is ook een beetje verbasterd Duits-Nederlands. En in België komt Frans er ook nog eens bij. Er zijn wat verbasterde woorden, bijvoorbeeld een sleeptros wordt een strang genoemd. Dat komt weer van streng. Zo heb je een heleboel van die woorden.

Oud en Nieuw lagen we ook altijd stil. We hadden geen vuurwerk, maar je keek wel mee natuurlijk, als dat in de buurt was. En we maakten herrie. Het sleepschip had geen scheepshoorn, die heb je niet nodig, maar wel iets als een bel. En iedereen deed mee, de motorschepen met hun toeter. De schijnwerpers gingen de lucht in. Op die manier wenste iedereen elkaar een goed nieuwjaar. Vroeger deden de schepen in de stad dat ook wel, maar dat hoor je niet meer. Iedereen zit thuis, mensen wonen minder aan boord. Die tradities gaan eruit.

Met Pasen stond mijn vader vroeg op om eieren te verstoppen. Gewone eieren, of chocolade-eieren. Als we ten anker lagen, deed hij dat alleen op het schip, als we aan wal lagen ook op de wal. Wij gingen dan zoeken zodra we wakker werden, en aan boord telden we ze en aten we ze op. Dat doe ik nog steeds, met mijn kleinkinderen.

Als je jarig was kreeg je een cadeautje, maar het was niet uitgebreid. Bij ons niet. Mijn moeder had een beetje een hekel aan verjaardagen, zij was geboren op twee november, Allerzielen in de Katholieke kerk. Dat kan bij een ander weer anders zijn. Bij mijn vrouw werd het heel uitgebreid gevierd, daar werd extra koek gebakken en veel aandacht aan besteed.

Vier mei ging de vlag halfstok. Zelf zette ik tijdens het varen bij de twee minuten stilte even het motorvermogen terug, even stationair. Dat werd niet door iedereen gedaan. En als het weer voorbij was, ging hij weer vol aan, maar zo besteed je er toch even wat aandacht aan. 

Voor in de winter hadden we in het begin kolenkachels, net als aan de wal. Later hadden we ook oliekachels. Die moesten elke dag gevuld worden. En je moest je waterleiding niet laten bevriezen, dat soort dingen moest allemaal rekening mee gehouden worden. Er moest flink gestookt worden. Als je op kolen stookte en je voer kolen was dat makkelijk. Maar je had ook een voorraad om in ieder geval de winter door te komen.

In de zomer is het natuurlijk anders. Dan lig je meer buitenboord dan op het schip, want zodra je kon zwemmen, ging je zwemmen. Je verzon van alles met bootjes en planken. Je kon een beetje waterskiën op zo’n plank. En we hadden roeiboten met een buitenboordmotor, of een speedbootje. We waren altijd met water bezig. Dan kwamen er vanzelf anderen ook weer bij met hun schip en ging je gezamenlijk wat doen. Je had amper tijd om te slapen. Vakanties kenden we niet. Mijn vader was pas in de vijftig toen hij zijn rijbewijs haalde, en dan gingen ze wel eens een dagje weg, als dat kon. Ze zijn wel eens een week weggegaan, en toen ze terugkwamen had ik het schip al gelost. Ik was toen vijftien of zestien. We dachten alle tijd te hebben, maar nee, ik moest toch lossen. Dat gaat zo. Maar het wordt vanzelf weer opgelost.

Naar het internaat

Het internaat is niet de mooiste tijd geweest. Dat had ik best willen missen. Maar dat kan natuurlijk niet, je moet wat leren. Het heeft je ook gevormd. Je moest met de andere kinderen omgaan, die socialisatie is ook belangrijk. De ene keer ging dat beter dan de andere keer. Maar zeker de eerste keer dat ik daarheen ging was niet fijn. Ik wist eigenlijk niet eens waar ik heen ging, ik was zes jaar oud en mijn ouders brachten me weg. Ik had een koffertje met kleding mee, alles met een nummertje ingenaaid. Ik schrok al van het grote gebouw. Dat heb ik nog steeds wel als ik door een oud ziekenhuis of zo loop, die lange gangen met die tegels, dat voelt unheimlich aan.

De zusters waren wel heel vriendelijk zolang de ouders erbij waren. Maar toen mijn ouders weggingen, stopte ik niet met huilen. Op dat punt zeiden ze wel dat als ik niet op zou houden, ik de kelder in zou gaan. Ik wist niet eens wat een kelder was, die hadden wij niet. Maar het maakte wel indruk. Waar ik op een gegeven moment naar bed moest, werd ook geen aandacht aan geschonken. Ik was niet de enige die aan het huilen was, voor het eerst op het internaat. We sliepen op zaal, daar kon je zachtjes huilen in je bed. ’s Nachts ging je slapen met het geluid van duiven en ’s morgens werd je ermee wakker. Ik heb nog steeds een hekel aan duiven.

Ik zat bij nonnen op een schippersinternaat in Schiedam. De school, het Aloysius, was daar los van, een kwartiertje lopen. Daar had je weer broeders, die verschilden niet zo veel van de zusters. Maar het was een stukje dat je even over straat kon. Dan moest je allemaal bij elkaar blijven, dat deed ik gelijk al niet. Ik wist zelf de weg wel. En dan was er nog een ander internaat, voor moeilijk opvoedbare kinderen, waar stammenoorlog mee was. Je werd dus wel eens overvallen door die andere gasten. Maar ja, allemaal weer overleefd.

Op het internaat waren jongens en meisjes. Wel streng gescheiden. Mijn zus zat er ook, maar die heb ik daar nooit gezien. Er waren aparte ingangen voor jongens en meisjes. De eerste keer dat ik naar het internaat ging was het pas Kerstmis toen ik mijn ouders weer zag. Die waren volop aan het varen. Als ze toevallig een keer in Rotterdam waren, zag ik ze wel in het weekend. Soms lagen ze er langere tijd, dan kon ik elk weekend naar boord. Soms gingen we in het weekend naar mijn opa en oma, dan was je toch ook even van het internaat af. Daar gingen we dan ook wel eens leuke dingen mee doen. Een beetje afwisseling. 

Nooit meer naar de kapper

Toen ik naar het internaat ging, dacht ik dat mijn ouders me in de steek lieten. Je werd weggebracht en wist niet eens waar ze waren. Het is dan jaren knapjes eenzaam. Dat heb ik ze toen ook kwalijk genomen, want ze willen me niet meer. Dat gevoel had ik. Ja, zij hadden het nog moeilijker dan ik, waarschijnlijk. Dat besef je dan natuurlijk niet, inmiddels wel.

Er zijn ook goede dingen aan die internaten. Op een gegeven moment was er een reünie. Mijn broertje haalde me over om mee te gaan. Achteraf was de bedoeling waarschijnlijk dat hij mooi mee kon rijden, maar dat maakt me niet uit. Ik wilde hem eerst nog afzetten, maar ben toch meegegaan. Ik voelde me eigenlijk niet best, maar toen zag ik daar een meisje zitten en ik dacht dat ik die dadelijk ook eens even naar huis zou brengen. Dat is gebeurd, en ik ben niet meer weggegaan daar. Dus uit het internaatsleven heb ik toch mijn vrouw Lianne ontmoet.

Ik heb altijd al gezegd dat mijn kinderen niet naar het internaat zouden gaan. Mijn vrouw maakte het niet uit, die had wel een goed internaatsleven gehad. Die dacht daar heel anders over, dat kan ook. Ik vond toch altijd al dat die meisjes voorgetrokken werden. Ik kan me er iets van voorstellen, dat zij het beter heeft gehad. Daar werd normaler mee omgegaan dan met de jongens. Het waren nonnen, misschien heeft dat ermee te maken. Ze waren veel strenger tegen de jongens. Dat was ook wel nodig, zeker naar mij toe. Toen ik van het internaat ging heb ik twee dingen voorgenomen: mijn kinderen gaan niet naar het internaat en ik ga nooit meer naar de kapper. Dat moest daar elke week. Je liep helemaal voor gek. Dat was in de tijd van lange haren. Maar ik moest nog naar de binnenvaarschool, dus toen moest ik ook nog geknipt worden. Daarna ben ik weet ik hoe veel jaar niet geweest. 

Op het internaat was geen uniform. Op de binnenvaartschool wel. Daar had ik een hekel aan. Sommige jongens vonden het prachtig. 
Kleding op het schip ging van kind tot kind. Het werd ook steeds versteld. Maar het waren gewone kleren, net als op het internaat. Wat daar wel was, was dat je korte en lange broeken had. Op één april gingen alle lange broeken de kast in, gewassen, en gingen de korte broeken aan. Het kon dan nog sneeuwen. Ik had dikwijls een blaasontsteking. Als je je lange broek aan wilde houden, werd daar niet eens naar geluisterd. Het was gewoon één april. Het was de tijd, dat zijn regels. Ik heb een hekel aan regels. 

’s Ochtends ging je je nest uit, je tanden poetsen, ontbijten en naar school toe. Tussen de middag ging je terug naar het internaat, dan at je daar. Warm eten dat geen eten was. Er was niks lekkers aan. Je bord werd vol geschept en je moest het leeg eten. Als je het niet op kreeg ging je maar op je knieën voor je bord zitten, net zo lang tot het op was. Ik schepte het in mijn zakdoek en dan zei ik dat het op was, en gooide ik het weg op de WC. 

Het was vet en stinkende warme melk en plastic bakjes, dat soort dingen. Op vrijdag kreeg je iets wat van de hele week overgebleven was. Dat was dan bij elkaar geflikkerd. Ik ben nooit kieskeurig geweest met eten, maar dat ging er niet in. Ik was broodmager, ik heb zelfs bijvoeding gehad. Maar dat kon ook niet volgens de nonnen, want ik kreeg genoeg. Maar ja, ik at niks. Dan ging je naar de dokter omdat je uitgedroogd was, dat soort dingen. Ik dronk ook niks, want dat water toentertijd in Schiedam was heel vies. De melk was ook niet te drinken en voor de rest was er niks. Maar volgens de nonnen kon ik niet uitgedroogd zijn, want we kregen alles.

Ik vertelde nooit zo veel aan boord, ik wilde mijn ouders ook niet lastigvallen. Die vroegen dan of ik naar een ander internaat wilde. Wat schoot ik daarmee op, dat is toch weer hetzelfde. Daar ken ik weer niemand. Dus ik vertelde ze weinig over het internaat, en ik heb er zelf ook lang mee gelopen. Ik heb er niet over gepraat, wat had dat voor zin? Desondanks heb ik toch een goede jeugd gehad.

Echte vriendschappen heb ik niet overgehouden aan het internaat, ik ken er nog wel een paar. Maar echte vriendschappen, nee. Vrienden, daar ben ik inmiddels ook achter gekomen, heb ik niet zo veel vertrouwen in. 

 

Toen en nu

Er was in het begin nog geen autokraan die een auto aan de wal kon zetten. Eerst moest je over twee luiken rijden, maar die bogen een eind door. Later zijn er planken gemaakt waarmee de auto het schip op en af kon. Dat kon ook niet overal, maar je verzon wel wat. Zelfs als je een stuk omhoog moest, ging je met de auto omhoog tot de planken voorover op de wal klapten. De zogenaamde wip. Ik vond dat de gewoonste zaak van de wereld. Later zijn die autokranen gekomen, dat is een stuk makkelijker. Maar juist dan inventieve, dat je moet bedenken hoe je die auto aan wal krijgt, is leuk. Nu druk je gewoon op een knop.

Tegenwoordig is het probleem weer dat je meestal op een afgeschermd terrein ligt waar je de poort niet uit komt. Sporadisch heb je afzetsteigers voor auto’s, zodat je altijd erop en eraf kan. Bedrijven laten dat helemaal niet meer toe. We deden het ook nog wel eens in de sluis, als je omhoog of omlaag ging, juist op het moment dat het gelijk was: hup, gauw de auto eraf. Dat mag natuurlijk niet meer. Het is natuurlijk ook wel eens fout gegaan, ik heb ook wel eens klem onder zo’n plank gelegen. Niks aan overgehouden, dat hoort erbij.

Schippers hielpen elkaar altijd. Als er een schip aankwam, ging je vast naar buiten om even een draad aan te pakken en een praatje te maken. Tegenwoordig zal het ook best voorkomen, maar veel minder. Ze zitten nu in de stuurhut achter zonnescreens. Dus de schipper is rustig aan het kijken hoe de ander werkt, maar die ander ziet hem dus niet. Vroeger liep je naar buiten, nam het touwtje aan, vraag je hoe lang hij blijft liggen. Als hij eerder weggaat vraag je of je er vast tussenin kan, anders moet je weer verhalen. Maar ja, daar wordt nog weinig overleg over gepleegd. Hoe meer communicatiemiddelen we hebben, hoe minder er gecommuniceerd wordt. Maar dat is overal, niet alleen in de vaart.

We kenden elkaar ook, we wisten allemaal van wie iemand was, wat ze gedaan hadden, van welk schip ze kwamen. Dat wordt ook steeds minder. Als we toevallig bij elkaar lagen, gingen we wel eens ’s avonds een biertje drinken. Of, als je ergens in de buurt lag, de wal op om daar samen wat te drinken. Je moest altijd van het schip af om te bellen, en dat was dikwijls in de kroeg. Daar zat vaak ook een bevrachter of sleepagent of zo iemand, die hielden de schippers ook wel een beetje bezig.

Er waren cafés die er voor ingericht waren. Die stonden ook dikwijls bij een sluis. Je wist je weg wel, na het varen de kroeg. Mijn vader heeft dat heel veel gedaan. Ik heb hem ook dikwijls moeten halen. Het is ook wel gebeurd dat de sleepboot al langszij lag en hij nog aan het “bellen” was in de kroeg. Toen ben ik hem gaan halen op de fiets, en is hij twee keer de plomp in gereden. Ja, ja, ja. Toch was het een hele goede man, en een hele goede vader.

Vroeger had je meer kleine ladingen. De schepen waren ook wat kleiner. Tegenwoordig heb je grotere schepen, waardoor die kleinere ladingen wegvallen. Dat is eigenlijk funest voor de binnenvaart. Normaal gesproken, als je werk kwijtraakt, krijg je het ook wel weer terug. Het probleem is dat als je nieuwe ladingstromen over de binnenvaart wil laten gaan, dat altijd begint met kleinere partijen. Die kleine schepen zijn heel belangrijk om dat in stand te houden. Een groot schip heeft ook veel meer onkosten. Dus ja, je kan nog wel een goede boterham verdienen met kleine schepen, maar dan moet het werk wel blijven.

Medewerkers aan boord hebben is altijd een probleem geweest. In Nederland kunnen we helemaal niet meer uitkomen. In het begin kwamen de Tsjechen, toen de muur viel. Toen kwamen de Polen. Nu hebben we veel Filipijnen. Die komen van buiten Europa, dus daar willen ze ook wat aan doen. Maar dat zou funest zijn voor de binnenvaart, om voldoende mensen te kunnen krijgen.

We zijn nu wel met autonoom varen bezig. Op afstand bedienbare schepen. Zo ver zijn we nog lang niet, helemaal onbemand zal het denk ik nooit worden. Maar als je in dikke mist vaart, kan je ook niets zien buiten. En als je vroeger op de radar voer, moest je de gordijnen dicht hebben om het scherm te kunnen lezen. Dan kan je net zo goed die hele stuurhut bij mij thuis zetten. ’s Morgens opstaan, naar beneden lopen en verder varen. Zo lang je maar goede en veilige verbindingen hebt. Je hebt tegenwoordig ook nog elektronische kaarten erbij. En je trackpilot, waar je over het lijntje vaart, is allemaal een stuk gemakkelijker. Er wordt daardoor wel minder opgelet, denk ik. 

De duurzaamheid, die moet je terugrekenen per tonkilometer. Een auto kan bijvoorbeeld 25 ton meenemen op 200 tot 500 PK. Een schip van drieduizend ton heeft zo’n tweeduizend paardenkracht nodig. Als je dat terug gaat rekenen is de binnenvaart veel duurzamer dan die vrachtwagens. Een schip doet er alleen langer over. Je moet wel meenemen wat voor vuiligheid je uitstoot, of hoe je brandstof wordt gemaakt. We hebben nu ook elektrische auto’s, maar die stroom moet ook opgewekt worden en de accu’s zijn vervuilend. Dat word altijd achteraf pas meegerekend. Ik denk dat de binnenvaart nog steeds duurzamer is. Een auto gaat een jaar of tien mee. Een schip gaat honderd jaar mee. En je kan wel zeggen dat je een andere motor erin moet hebben, maar dan sloop je iets wat nog functioneert. Dat is allemaal een hele berekening.

Mijn vader zei altijd: voor je gaat varen, ga aan het gangboord staan en pis maar buitenboord. Als je nat wordt, komt de wind naar je toe. Als je droog blijft, gaat het de andere kant op. Je kijkt buiten boord en je ziet welke kant het op drijft. Dan heb je al je informatie. Later ben ik in het onderwijs gegaan, het Scheepvaart- en transportcollege. Daar heb ik hetzelfde verhaal voor de klas verteld. Begonnen ze keihard te lachen. 

Ik vertelde ook wel eens dat ik een bekeuring heb gehad omdat het gangboord niet schoon was. Je moet niks aan dek hebben, dat je je nek niet kan breken. Wij moesten met een duwboot vier duwbakken oppakken in de Botlek. Die hadden bauxiet geladen, maar er was flink wat gemorst. Dus er lag een heleboel in het gangboord. Dan wordt het een probleem om van voor naar achter lopen. Je moet ze schoonvegen, maar het mag ook niet in het water komen. Maar het was het laatste van de vloed, dus we gingen, hup, die Botlek uit, zodat je nog voor de stroom de Oude Maas op kon. We veroorzaakten veel golfslag, dus dat gangboord spoelde vanzelf schoon in het water. De hele rivier was rood. En toen kwam er een politieboot langszij. Ik zeg, ik heb geen idee waar ze voor komen, ik heb niks fout gedaan. Dat dik je dan nog een beetje aan. Je mag niet varen voordat het gangboord schoon is, zeggen ze. Ah joh, donder op, joh. Toen heb ik toch een bekeuring gekregen. Dat vinden die gasten wel leuk, als je dat vertelt.

De eerste binnenvaarders waren de Batavieren. Die kwamen met een uitgeholde boomstam bij Lobith ons land binnenvaren, over de Rijn. Er was niemand bij, ik kan niet vertellen of het echt zo is. Zo heb ik het geleerd op school.

De beurs

Het World Trade Center was het, aan het Rodezand in Rotterdam. Daar kwamen alle schippers bij elkaar. Vijf dagen in de week open, in het begin ook op zaterdagmorgen. Voor binnenlandse vrachten had je een evenredige vrachtverdeling, dat is in de jaren dertig opgericht. Wie het eerst leeg was, was het eerst aan de beurt om weer te laden. Dus als je leeg was, probeerde je je zo snel mogelijk in te schrijven. Op een gegeven moment werden er allerlei vrachten omgeroepen, dan kon je bedenken welke je wel wilde hebben. Maar als iemand anders eerder leeg was, was die aan de beurt. De minimum vrachtprijzen waren vastgesteld. Je kon er altijd overheen vragen, zeker als er niet genoeg schepen waren. Dat gebeurde niet zo vaak, maar zeker voor Kerstmis wilde niemand meer varen. Maar dan kon je dikwijls wel een hogere prijs bedingen, als je dan toch ging varen. Of je kon laden maar na de Kerst pas varen.

Internationale vaart was gewoon vraag en aanbod. Per marifoon, of later per telefoon. Zo’n bevrachter ging dan bellen of jij die reis wilde, en dan kon je allerlei afwegingen maken. Mensen die kinderen op het internaat hadden, wogen af of ze in het weekend vrij zouden zijn, of in de buurt. Een ander maakte het niet uit. Iedereen maakt zijn eigen afweging. De vrije vaart, heet dat. Iedereen had daar zo zijn contacten. Die probeerde je ook steeds uit te breiden, natuurlijk. In Rotterdam had je bijvoorbeeld op de beurs een runner. Die ging kijken of er een lading voor je schip kwam. Als hem dat lukte, betaalde je ook provisie over dat vrachtgeld. Je kon het ook zelf doen als je tijd had, natuurlijk. 

We hebben nu geen beurs meer, sinds de jaren negentig of zo. Als het heel slecht was, was die toch wel belangrijk. Je kon lang leeg liggen, maar op een gegeven moment een goede reis krijgen op de beurs. Toen die wegviel kon je ook lang leeg liggen, en moest je toch voor minder gaan varen. Dus nu is het anders. Iedereen was bang voor de afschaffing van de beurs, maar ja, alles vaart nog steeds. Het romantische is er wel vanaf. Maar de ene vind dit beter, de ander dat.

Akte van Mannheim

Je hebt een legende over de Lorelei, een beeldschone vrouw die zat te zingen en mooi te zijn. Iedereen vergat op te letten, en het schip liep op de rots en verging. De Lorelei is een hele steile berg aan de Rijn. Die steekt uit met een hoek waar je flink moet sturen. Dat hele stuk van Koblenz, Sankt Goar tot Bingen is UNESCO Werelderfgoed. Er zijn vele bochten, daar moet je dan doorheen varen, een moeilijk en mooi stuk vaarwater. Je hebt ook twee kastelen staan. De vijandelijke gebroeders. Op elke berg een eigen kasteel, en die vochten elkaar de tent uit. Daar waar de Lorelei staat had je overal kastelen staan. Grotendeels om tol te heffen. Anders schieten we je neer, bij wijze van spreken.

Zo had elk gedeelte van de Rijn een eigenaar zitten. Het vervoer werd steeds duurder. Dus al die landen zijn bij elkaar gaan zitten, en hebben de Akte van Mannheim opgericht. De Rijn moet vrij van tol zijn. Zodoende betalen we ook geen belasting op diesel, dat mag ook niet. Er zijn allerlei groeperingen die daar iets van vinden, want waarom zou de binnenvaart geen belasting over diesel moeten betalen? Je hebt ook het verschil tussen rode en witte diesel, rode is belastingvrij, witte niet. Maar we hebben veel te danken aan die Akte van Mannheim. Ik dacht dat die uit 1868 kwam, dat weet ik niet helemaal.

De oorlog

Na de oorlog zijn mijn ouders gaan varen. Mijn vader is eerst nog naar Indonesië gegaan. Over de oorlog was me verteld dat familie ondergedoken was in Dodewaard. En dat ze bij een boer eten gingen halen en ruilen. Ze hadden zelf kolen gelost, dan namen ze die kolen mee en gingen ze zoeken naar een boer, om te ruilen voor eten. Dat soort dingen. En dat ze gebombardeerd zijn. Die schepen vervoerden allerlei materialen voor de Duitsers. Je moet toch eten. Je kan makkelijk oordelen dat je niet voor die Duitsers moet varen, maar dan ga je dood. Of je schip wordt in beslag genomen, dan ben je hem kwijt. Dat is ook heel veel gebeurd. Sommigen hebben hun schepen in Oost-Duitsland terug moeten halen, als ze hem al terugkregen. Op een gegeven moment kwamen ze achter het IJzeren Gordijn te liggen en dan kwam je er helemaal niet meer in. Dat is niet bij ons gebeurd, maar er zijn zat verhalen over.

Er waren natuurlijk ook foute schippers bij. Die het bewust deden, voor de Duitsers varen. Maar waar herken je dat aan? Ik ben er niet bij geweest allemaal, ik heb het van horen vertellen. Hier zijn ook verkeerde verdachtmakingen geweest. Kan niet anders, is overal gebeurd.

Er zijn veel onderduikers op schepen geweest. Je kan mensen makkelijk verbergen op een schip. Maar er zijn ook schepen door de Duitsers gevorderd. Ze wilden Engeland veroveren, Operatie Seelöwe. Daar werd de voorkant afgesneden en een klep gemaakt, dus er konden bemanningen en pantserwagens aan boord rijden. Die zouden Engeland even veroveren. Zo ver is het nooit gekomen. Maar een heleboel eigenaren vonden hun schip later weer terug met de kop eraf, dat moest weer gerepareerd worden. Daar was een regeling voor, een bureaucratisch gebeuren. Herstelbetalingen en dat soort dingen. Duitse schepen werden ook weer door Nederland gevorderd als herstelbetaling voor de geleden schade van de oorlog. 

Het slepen

Het schip van mijn ouders was een sleepschip, dus dat kon niet zelfstandig varen. Het moest altijd worden getrokken door een sleepboot. Als je een reis op de beurs aannam ging je gelijk op zoek naar een sleepboot, je was toch bezig. En je had ook zo je connecties. 
De kosten van de sleepboot moest in de vracht verrekend zijn. Je moest weten wat je onkosten zijn, en je moet er ook nog iets aan overhouden natuurlijk. De ene keer was dat beter dan de andere keer. Het is net hoe de markt is. Als het laag water is en er zijn weinig schepen, kan je ook een hogere vrachtprijs bedingen. Als het gewoon water is en een lage conjunctuur, heb je een overcapaciteit. Dan kon je niet altijd de prijs maken. Je kon ook wel eens zonder lading en zonder werk liggen.

Zo’n sleepschip had geen voordelen. Het is hoe het zich ontwikkeld heeft. In het begin was er de zeilvaart, toen de stoomvaart. Die stoomschepen konden weer schepen slepen. En het bouwen van een sleepschip is goedkoper dan een motorschip. Later zijn veel sleepschepen omgebouwd tot motorschip. Maar zeker na de oorlog was er niet zo veel geld. Grote rederijen bouwden ook alleen maar sleepschepen. Die kostten ook minder als ze stillagen. Hetzelfde als tegenwoordig de duwvaart, die bakken kosten veel minder. Als die kapot gaan kost het niet zo veel. Als die duwboot maar blijft varen, die is veel duurder.

Je had bijna altijd een sleepboot nodig, om naar de laadplaats bebracht te worden. Na het laden had je weer een andere sleepboot nodig om je naar de los bestemming te brengen. Je deed ook dikwijls verhalen in de haven. Als je ergens gelost had en je kon bijvoorbeeld weer laden aan de overkant. Dat kon zonder sleepboot, met een dunne lierdraad, verhalen noemen we dit. De lierdraad bracht je weg met een roeiboot en dan trok je jezelf met behulp van lieren daarnaartoe. Daar bespaarde je weer geld mee. Je probeerde zo veel mogelijk op sleepboten te besparen. Maar dan moet je heel inventief zijn, je moet letten op wat het belangrijkste is; wind en stroming. Wind kan lastig zijn, maar je kan er ook gebruik van maken. Met de stroming ook. Als ik een bepaalde kant op moet, kijk ik eerst buitenboord, in getijdengebied, hoe de stroming loopt. Als er bijvoorbeeld ebstroom gaat dan kun je beter wachten met verhalen tot dat er weer vloedstroom gaat lopen. Dan ga ik niet tegen de stroom in werken, het spreekwoord zegt het al; 'als het getij verloopt, moet men de bakens verzetten.' Hetzelfde met de wind, als die de goede kant op staat maak je schip los, en waait hij vanzelf de juiste kant op.

De vrije vaart

Na het internaat wilde ik eigenlijk al gelijk gaan varen, maar dat mocht niet. Ik moest eerst naar de Binnenvaartschool. Ik moest verder leren, dat wilden ze graag. Maar ik wilde dat niet. Het compromis was dat ik twee jaar naar de Binnenvaarschool ging. Ik dacht, 'wat moet ik daar doen?' Ik weet alles al. Ik dacht er wel doorheen te komen. En ik lette daar niet op, natuurlijk. Toen kwam ik erachter dat ik toch iets moest doen. Ik dacht alles te weten, maar op een gegeven moment had de rest van de klas allemaal een voldoende en ik een onvoldoende. Dat ging toch niet goed.

Dus toen ben ik toch maar weer aan de slag gegaan. Ik zou eigenlijk bij mijn vader aan boord gaan, maar die lagen veel stil toen. En de sleepboten waren een gedoe. Ik had er geen geduld voor, mijn vader bleef altijd rustig, maar ik kon daar niet tegen. Toen ben ik op motorschepen gaan varen, eerst bij mijn familie, later heb ik steeds andere schepen gezocht. Ik wilde heel veel zien. Dus ik ging op het ene schip naar Bazel, en als ik dat wel weer gezien had ging ik bijvoorbeeld de Duitse kanalen op. Had ik dat ook weer gezien.
Matroos was ik dan, maar sturen deed ik ook, natuurlijk. Dat heb ik al die tijd zo gedaan, tot ik gevraagd werd mee te gaan op een duwbootje. De kapitein die daar aan boord was, stopte er onderweg mee, om wat voor reden dan ook. Toen moest ik maar even verder varen, de baas dacht dat ik dat wel kon. Hij wou me daarna gelijk in vaste dienst. Ik heb toen een tijdje met die duwboot gevaren, eerst met twee bakken, later werden het er vier. Ik heb allerlei soorten schepen gedaan. 

Ik wilde geen eigen schip, ik wilde de vrijheid hebben. Meestal hoor je het andersom, mensen denken vrijheid te hebben met een eigen schip of boot. Maar dan heb je ook gewoon je opdracht uit te voeren. Kijk, als ik een eigen schip heb en ik heb het niet zo naar mijn zin, moet ik toch werk blijven doen. Moet ik eerst het schip verkopen, want je zit eraan vast. In loondienst kan je gewoon zeggen: 'Joe, bekijk het even. Ik ga even ergens anders kijken.' En ik hoefde nooit lang te zoeken, dikwijls werd ik gevraagd. Dan kan je ook je prijs maken. 

Je kan pas geld uitgeven als je het hebt. Als je al geld moet lenen, moet je gaan berekenen hoe veel je nodig hebt en hoe lang je erover gaat doen. En probeer er altijd korter over te doen. Mijn eerste huis heb ik binnen vijf jaar afgelost. Daar heb ik me helemaal het lazarus voor in gewerkt, en mijn vrouw ook. Ik voer week op week af op een duwboot en in mijn vrije week ging ik nog eens varen. Dat heeft mij onafhankelijk gemaakt. Dat geeft me een gevoel van vrijheid, onafhankelijkheid. Daarom heb ik in mijn vrije tijd dit ook allemaal kunnen doen, die hele vereniging De Binnenvaart. 

Meer over het Binnenvaartmuseum en vereniging De Binnenvaart vind je op deze website.

 

Over de auteur

Debby Davidse zet zich als zelfstandig projectleider en programmamanager in voor cultuurhistorische en landschappelijke opgaven. In samenwerking met het Binnenvaartmuseum in Dordrecht interviewt ze oud-binnenvaartschippers en hun families om het immaterieel erfgoed van de binnenvaartcultuur vast te leggen. Casper Burghoorn is als redacteur betrokken bij dit project.

1 reacties

Greetje Groen 11 mei 2026

Mooi verhaal heel herkenbaar voor mij. Vooral het buitenleven wordt hier behandeld. Het leven op het water spreekt mij erg aan mooi om de ervaringen van een ander te lezen. Het is duidelijk dat niet ieder kind houdt van het internaatleven dat vast zit aan het bestaan als schipperskind.

Plaats een reactie

Heb jij een verhaal over de Zuid-Hollandse geschiedenis?

Welk verhaal mag volgens jou niet ontbreken op deze website? Deel je verhaal of tip met de redactie! Lees de voorwaarden en tips voor het schrijven van een verhaal.

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.