In de tweede helft van de twintigste eeuw zijn veel gastarbeiders naar Nederland gekomen. Ook in Schiedam, bij de Vereenigde Glasfabrieken in het oosten van de stad, werkten vanaf de jaren zestig veel Turkse mannen. In 2003 werden een aantal persoonlijke verhalen opgenomen in het Gemeentearchief Schiedam.
Hüseyin Önen had nooit overwogen om naar het buitenland te gaan. In het zuidoosten van Turkije, waar hij in 1938 geboren werd, werkte hij na zijn militaire dienst als postbode voor het Directoraat voor Technische Landbouw. Naar school is Hüseyin, net als zijn acht broers en zussen, nooit gegaan. Lezen en schrijven kon hij wel, maar dat had hij zichzelf aangeleerd. Het was de directeur van het Bureau voor Werk en Werknemersbemiddeling met wie Hüseyin bevriend was, die hem in 1965 over het werk in Nederland vertelde.
Nog geen drie weken later vertrok Hüseyin samen met 45 andere mensen uit zijn geboortestad Urfa naar Nederland. Van Urfa naar Ankara, van Ankara via Istanbul naar Amsterdam, van Amsterdam naar Schiedam. Bus, vliegtuig, vliegtuig, trein. Bij aankomst wist Hüseyin niet, vertelt hij in 2003 aan journaliste Sevgi Gülen, waar hij moest werken en wat hij zou gaan verdienen.
Hüseyin is niet de enige Turkse gastarbeider die in de tweede helft van de twintigste eeuw naar Schiedam is gekomen. Al vanaf september 1963 begonnen de Vereenigde Glasfabrieken actief 'goedkope' arbeidskrachten uit Turkije te werven. Een jaar later, in augustus 1964, sluit de Nederlandse regering een wervingsverdrag met Turkije om de landelijke toestroom van Turkse arbeidsmigranten te reguleren. Vanaf dat moment gaat het snel: in oktober 1967 zijn er in Schiedam ongeveer 240 Turkse gastarbeiders werkzaam. Een groot deel van hen werkt, net als Hüseyin, bij de Vereenigde Glasfabrieken aan de Buitenhavenweg of bij de scheepswerf Wilton-Fijenoord aan de Wiltonhaven.
Van Urfa naar Ankara, van Ankara via Istanbul naar Amsterdam, van Amsterdam naar Schiedam. Bus, vliegtuig, vliegtuig, trein.
De Collectie Turkse Schiedammers
In 2003 deed het gemeentearchief voor een speciale tentoonstelling archiefonderzoek naar de Turkse gastarbeiders van het eerste uur. Erik Visscher (53), beleidsadviseur van het gemeentearchief en degene die ruim twintig jaar geleden het onderzoek uitvoerde, vertelt dat hij daarvoor van verschillende archieven gebruik heeft gemaakt. “Ik heb het archief van het gemeentebestuur en het archief van de Vereenigde Glasfabrieken onderzocht. Toen waren er helaas nog geen archieven van organisaties zoals de Stichting Hulp aan Buitenlandse Werknemers (SHBW) in de regio Rijnmond beschikbaar.” Het verhaal van Hüseyin uit Urfa is slechts één van de verhalen uit de collectie: Journaliste Sevgi Gülen interviewde voor de tentoonstelling vijf (familieleden van) Turkse gastarbeiders die in de jaren zestig naar Schiedam zijn gekomen. Hun persoonlijke archieven maken deel uit van de Collectie Turkse Schiedammers.
Op zijn computer spit Visscher door de gedigitaliseerde archiefstukken uit de collectie. Een oude introductiebrief aan de Turkse medewerkers van de Vereenigde Glasfabrieken vertaalt hij ter plekke vanuit het Turks: “‘Hollanda Hakkinda. Over Nederland. Amsterdam en Utrecht zijn grote steden…Nederland is heel erg getroffen door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog… U kunt verwachten dat er tegen uw godsdienst respect wordt getoond, maar u moet zelf ook de wetten respecteren…Op sportgebied doet Nederland veel aan zwemmen, judo en andere sporten.’ Wat grappig, vindt Visscher, dit document is zeker opgesteld in de tijd dat judoka Anton Geesink een Olympische medaille voor Nederland had gewonnen. “Kijk, hier staat hij ook genoemd: ‘Olympisch kampioen Anton Geesink.’
Het archiefmateriaal uit 2003 is aangevuld met materiaal dat Gülen tien jaar later, in 2012, van andere geïnterviewden ontving. Visscher vertelt: “In 2012 stond Schiedam stil bij vierhonderd jaar betrekkingen tussen Turkije en Nederland, wat begon met de Schiedamse Cornelis Haga als de Nederlandse ambassadeur in het Ottomaanse Rijk. Gülen heeft daarvoor ook een aantal interviews afgenomen met Turks-Nederlandse stellen uit Schiedam. Uit die interviews en de bijbehorende publicatie is ook nuttig archiefmateriaal voortgekomen.”
Een blauwe overall, cig köfte en een somber gevoel
Veel onderdelen uit de collectie gaan over het werk dat Turkse gastarbeiders in Schiedam deden, weet Visscher. In de Vereenigde Glasfabrieken was er voldoende werk. Hüseyin werkte op de sorteerafdeling, droeg een blauwe overall en kreeg fabrieksnummer 140. Aan journaliste Gülen vertelt hij bijna veertig jaar later dat de flessen nog heet aanvoelden als ze in de kratten werden gezet. Gülen schrijft het op: ‘Hüseyin en zijn collega's brandden er hun handen aan en hun vingers werden knalrood.’ Met rode handen en een blauwe overall werkte Hüseyin één jaar op de sorteerafdeling. Eigenlijk wilde hij liever op de machineafdeling werken om de grond rond de machines schoon te maken en het gebroken glas bijeen te rapen. Daar werkten veel Nederlanders en Hüseyin had zichzelf in zijn eerste jaar in Schiedam een hoop Nederlandse zinnen aangeleerd.
“Toen werd ik voor machinenummer 11 gezet. Alle chefs kwamen erbij staan. Om de beurt zeiden ze wat ik moest doen en controleerden ze of ik het goed deed. Uit de machine kwamen flessen jonge jenever. De chef zei tegen een medewerker: "Geef Hüseyin een engelse sleutel, een hamer en handschoenen. " De volgende dag om 8 uur zou deze machine van mij zijn. Ik was in mijn nopjes.”
In de beeldbank van het gemeentearchief staan 26 foto’s van Hüseyin in Schiedam. Op sommige foto’s, allemaal afkomstig uit het privéarchief van de familie Önen, poseert hij alleen. Op andere foto’s staat hij met vrienden of collega’s uit de glasfabriek. Hüseyin op de Koninginnebrug met op de achtergrond werf Gusto, Hüseyin tegen een lantaarnpaal op de Boerhaavelaan, Hüseyin in een blauwe overall samen met zijn collega Mehmet in de glasfabriek. In 1972, zeven jaar nadat hij naar Schiedam kwam, maakte Hüseyin, geknield op een grijs tapijt, een bak vol çiğ köfte. Twee jaar later ligt Hüseyin languit op de grond van zijn nieuwe woning in Schiedam, glimlachend.
Het zijn momentopnamen uit het leven van een Turkse arbeidsmigrant, de foto’s uit de beeldbank van het archief. Aan Gülen vertelt hij dertig jaar later dat zijn Schiedamse leven – een andere taal, een ander land, ruim 3700 kilometer verwijderd van zijn geboortestad in Turkije – in het begin soms lastig was.
“Die eerste dagen liepen wij als een stelletje angsthazen maar wat rond. Je spreekt de taal niet, geen andere Turken, nergens waar je iets kon vragen. Je kon ook niet altijd een tolk vinden. Als wij iets gingen halen, dan legden wij het met gebaren uit. Het was niet gemakkelijk om je verstaanbaar te maken.”
Het is misschien het sombere gevoel dat de Schiedamse Süeda Işık, nu journalist bij NRC, bij de migratie van haar ouders heeft. In 2012 schreef ze voor de website van het Stedelijk Museum Schiedam over de uitwisseling tussen het voormalige Ottomaanse Rijk en Schiedam. Ze probeert zich voor te stellen wat haar ouders, die als Turkse gastarbeiders naar Nederland zijn gekomen, bij hun migratie hebben gevoeld: de cultuurclash die Hüseyin beschreef, de nostalgie naar Turkije, het lijden dat voortkwam uit hun emigratie. Het is dan ook een moedige keuze, vertelt Furkan Kondu als ik hem naar zijn opa vraag, om naar een vreemd land te verhuizen. “Het was niet makkelijk voor mijn opa. Van zijn gezin was hij de eerste die naar Nederland is gekomen en hij heeft zijn kinderen lang niet gezien. Daar heeft hij wel verhalen over verteld, hoe moeilijk het was. Ik zou het ook lastig vinden als ik nu mijn vrouw moest achterlaten om te werken in een land waar ik de taal niet beheers.”
Huis en haard verlaten
De reden dat Hüseyin vanuit Turkije naar Nederland is vertrokken, is economisch. Hij is daarin niet de enige geweest, vertelt Visscher in het gemeentearchief: de meeste Turkse gastarbeiders vertrokken naar Nederland om (meer) geld te kunnen sparen. “Maar de motieven om huis en haard achter te laten, konden heel divers zijn. Er konden een heleboel andere dingen meespelen, zoals het ontwijken van militaire dienstplicht in Turkije of specifieke persoonlijke omstandigheden - als er bijvoorbeeld sprake van een familieruzie is.”
Visscher, die een studie Turkse Taal en Cultuur aan de Universiteit Leiden afrondde en voor het jubileumjaar onderzoek naar arbeidsmigratie deed, zegt dat het bovendien een stereotype is dat er alleen maar mensen uit kleine dorpen met kansarme omstandigheden naar Nederland kwamen om te werken. “Er waren ook mensen die weggingen omdat ze avontuurlijk waren en een ander land wilden zien. Er kwamen veel mensen uit kleine dorpen, maar ook zeker uit grote steden.”
De Ankara en de Rotterdam
De Turkse gastarbeiders die bij de Vereenigde Glasfabrieken werkten, werden gehuisvest op speciaal daarvoor bestemde pensionboten aan de Buitenhavenweg. Van de 240 Turkse mannen die in 1967 in Schiedam werkten, woonden er 170 op de woonboten. Hüseyin heeft vanaf zijn aankomst in 1965 eerst in een pension in Rotterdam gewoond, met twee andere mannen op één kamer. Na ongeveer een jaar verhuisde hij naar woonboot ‘De Rotterdam’, op nog geen honderd meter van de Glasfabriek.
De benedenverdieping van De Rotterdam, een witte boot met vierkante ramen, was volgens Hüseyin minder comfortabel dan het pension waar hij eerst woonde. Aan journaliste Gülen vertelt hij in 2003: “Als we ‘s ochtends opstonden, was de vloer helemaal nat. Het was er niet bepaald vochtvrij. Als je wakker werd, was het alsof je verdoofd was.” Maar, alsnog, ondanks het water op de benedenverdieping, ondanks het lawaai van anderen, vertelt Hüseyin veertig jaar later ook over de saamhorigheid op de boot. “Op feestdagen schudden wij elkaar de hand, wensten elkaar geluk, aten gezamenlijk en praatten.”
Als we ‘s ochtends opstonden, was de vloer helemaal nat. Het was er niet bepaald vochtvrij.
De Vereenigde Glasfabrieken, weet Visscher door zijn archiefonderzoek, waren van mening dat de woonboten aan de Buitenhavenweg “hele mooie” locaties waren. “Als er na een aantal jaar negatief over de boten wordt gedacht, proef je in de archiefstukken dat de glasfabrieken verbaasd zijn, zo van: ‘Waarom wordt dit niet gewaardeerd?’”
Na twee jaar verhuisde Hüseyin samen met een grote groep Urfanezen naar een kleinere woonboot, ‘De Ankara’. Daar was hij tot voorzitter van de groep mannen uit Urfa benoemd. Samen met drie andere voorzitters sprak hij iedere maand op de personeelsafdeling met de leidinggevenden van de glasfabriek. Als er vanuit medewerkers problemen in de fabriek waren, of als er klachten over de woonboten waren, werden ze tijdens het overleg met Hüseyin hoorbaar gemaakt.
De klachten over De Ankara en De Rotterdam namen eind jaren zestig toe. “Sommige gastarbeiders wilden van de boten af en hun gezin naar Nederland laten overkomen”, vertelt Visscher. “Vanaf het moment dat de gezinshereniging op gang komt aan het einde van de jaren zestig, stoppen de glasfabrieken met de woonboten. Daarna wonen veel Turkse gastarbeiders op verschillende plekken in Rotterdam, Vlaardingen en Schiedam.”
Gezinshereniging naar Schiedam
Hüseyin had nooit overwogen om naar het buitenland te gaan, maar toen hij in Schiedam aankwam, wilde hij wél terug naar Turkije. Zijn vriend Ali, ook uit Urfa, zei het tegen hem toen ze hun vingers branden aan de hete flessen op de sorteerafdeling: ‘Ali zei: "Hé Hüseyin, dit werk is niets voor ons." Hüseyin vroeg hem: "Wat kan je er dan aan doen, vriend?" Zij besloten wat geld bij elkaar te zoeken en terug te gaan naar Turkije.’ Dat lukte niet, en ook de jaren daarop zijn de mannen niet teruggekeerd naar Urfa. In 1969, toen Ali en Hüseyin al vier jaar in Schiedam woonden, besloten ze er maar te blijven. Gülen beschrijft het in 2003: ‘Hüseyin zei: “Hé Ali, wij zouden toch het geld voor de trein bij elkaar leggen en naar huis gaan? Maar nu wij zitten nog steeds hier, wat doen we eraan?" Ali antwoordde: "Vertrekken gaat niet meer, laten we onze vrouwen maar hierheen halen.”’
Het was de bedoeling dat het verblijf van Turkse gastarbeiders tijdelijk zou zijn, maar veel Turken besloten in Schiedam te blijven. Door de Wet op Gezinshereniging (1974) konden hun vrouwen en kinderen ook permanent naar Nederland komen. Dat was alleen mogelijk als ze door de gemeente een woning toegewezen kregen. Hüseyin vond in 1970 een kleine kamer aan de Groeneweg: een in tweeën gedeelde kamer, zonder badkamer. Na twee jaar was de woonruimte te klein voor Hüseyin, zijn vrouw Sultan en jonge zoons Murat en Kenan. Ze kochten uitklapbare bedden, vertelt hij in 2003 aan Gülen. Al snel verhuisde het gezin met enige moeite naar een grotere woning aan de Rijnstraat.
Toen, midden jaren zeventig, was volgens het onderzoek van Visscher bijna twee procent van de Schiedamse bevolking Turks. In 2024 heeft bijna de helft van de Schiedamse bevolking een migratieachtergrond, blijkt uit data van het CBS. Daarvan komt 21,5 procent uit Turkije. Het ding met dit soort cijfers, legt Visscher uit, is dat ze op verschillende manieren berekend kunnen worden. “Wordt er naar het geboorteland gekeken? Wordt er naar het geboorteland van de ouders gekeken? Naar mensen met een dubbel paspoort of telt wie een Nederlands paspoort heeft niet mee in de berekening? Het is maar net hoe je afkomst definieert.” Het is dus belangrijk, weet hij, om je ervan bewust te zijn dat verschillende berekeningen een rits aan verschillende uitkomsten kunnen geven.
In 1985, toen zijn oudste zoon Murat vijftien jaar oud was, is Hüseyin door een vreemde beweging die hij op zijn werk maakte in de Wet Arbeidsongeschiktheid (WAO) beland. “Zijn knie werd dik als hij probeerde te lopen”, vertelt Murat als ik hem bel. “Een operatie werd afgeslagen en sindsdien zit hij thuis.” Zijn vader woont nog steeds in Schiedam, maar loopt al jaren met een stok. Over Turkije en de migratie van zijn ouders werd vroeger veel gesproken, herinnert Murat zich. “Wij vroegen wel eens: ‘Hoe hebben jullie dat gedaan?’ Dan vertelde mijn moeder dat het van haar eigenlijk niet had gehoeven. Ze is naar Nederland vertrokken omdat ze nou eenmaal de partner van mijn vader is.” Murat en zijn broer en zus waren “best klein”, zegt hij, maar ze hoorden hun ouders soms praten over teruggaan naar Turkije. “Mijn vader is nu 87 jaar en hij zegt nog steeds dat hij terug wil. Maar iedere keer als hij in Turkije op vakantie is, telt hij bij wijze van spreken de dagen af voordat hij teruggaat naar Schiedam.”
Mijn vader is nu 87 jaar en hij zegt nog steeds dat hij terug wil. Maar iedere keer als hij in Turkije op vakantie is, telt hij bij wijze van spreken de dagen af voordat hij teruggaat naar Schiedam.
Een monument voor alle gastarbeiders
Ook de opa van Furkan Kondu, fractievoorzitter van DENK in Schiedam, werkte in de glasfabrieken. Samen met vijf partijen diende hij een eenmalige motie in om op het terrein van de voormalige Glasfabrieken een monument voor Turkse gastarbeiders op te richten. Eind vorig jaar is er door de gemeente budget voor gereserveerd. Natuurlijk, vindt Visscher, is zo’n monument een “heel mooi idee.” Het verhaal van de Turkse gastarbeiders, het verhaal van Hüseyin, het verhaal van zijn collega’s Mehmet en Ali, van de ouders van Süeda Işık, de opa van Furkan Kondu en al die anderen die huis en haard hebben verlaten om in Schiedam te werken - natuurlijk is het belangrijk om daar aandacht aan te besteden.
Hüseyin heeft in totaal twintig jaar bij de glasfabriek gewerkt. Hij heeft twintig jaar lang in Schiedam hete glazen gesorteerd, stukken gebroken glas geraapt, machines schoongemaakt en heftrucks bestuurd. Zijn zoons en dochter zijn in Schiedam opgegroeid. Het is niet het enige gezin dat deze geschiedenis kent, weet Furkan. Voor hem is het monument persoonlijk. “Omdat de gastarbeiders hun land van herkomst hebben achtergelaten, ben ik geboren en getogen Schiedammer. Omdat mijn opa ervoor koos om in Nederland te blijven, ben ik nu in Schiedam.”
“De Turkse gastarbeiders hebben veel invloed in Schiedam gehad en ook vandaag zijn er veel Schiedammers met wortels in Turkije”, zegt Visscher. Die invloed, vertelt Furkan, mag niet worden onderschat. Gastarbeiders hebben geholpen aan de wederopbouw van Nederland, hebben het “vuile werk” gedaan, hebben voor zware beroepen hun mouwen opgestroopt. “En dat terwijl ze als stille krachten nooit naar voren zijn gekomen. Het is nu tijd om die generatie gastarbeiders wél te eren.”
0 reacties