Marcel Hendriks ontdekte een interessante correspondentie van een mevrouw aan haar voormalige werkgevers en schreef een verhaal over deze bijzondere collectie. Het geeft een opvallend inkijkje in het leven en de zorg begin 20e eeuw. Lees hieronder zijn ingestuurde verhaal.
Een reeks ansichtkaarten, 1906–1916
Bij gelegenheid vind je voorwerpen die je meteen aangrijpen. Dat was bij deze serie ansichtkaarten, die ik op een rommelmarkt kocht, onmiskenbaar het geval. Geen losse vondst, geen toevallig briefje, maar een reeks dichtbeschreven kaarten die samen een leven blootleggen. Wat volgt, is een zeldzaam inkijkje in een bestaan dat werd getekend door armoede, ziekte en uitzichtloosheid.
Tussen 1906 en 1916 schreef mevrouw A. H. Snikkers een reeks ansichtkaarten vanuit Rotterdam. Geen reisgroeten, geen bezienswaardigheden, maar dichtbeschreven ansichtkaarten. Ze schreef aan mensen die ooit haar werkgevers waren geweest: een gezin, bij wie zij in dienst was geweest in betere jaren. Die periode duidt zij later aan als de tijd “toen ik nog zekerheid had.”
Wanneer de kaarten beginnen, is zij al ziek. In 1906 schrijft zij nog met enige hoop. Haar gezondheid is zwak, maar zij verwacht verbetering. Ze leeft eenvoudig en probeert zich te redden. Ze verontschuldigt zich voor het schrijven en grijpt terug op herinneringen aan de tijd dat zij bij hen werkte. Deze herinnering is haar houvast: niet uit nostalgie, maar omdat deze het laatste bewijs is dat haar leven ooit nuttig, overzichtelijk en beschermd was.
In de loop van 1906 wordt duidelijk dat die bescherming verdwenen is. Zij schrijft dat zij “alles alleen moet zien te redden” en dat zij niemand anders heeft tot wie zij zich kan wenden. Armoede is dan nog niet expliciet, maar wel voelbaar in haar schrijven: zoeken, schikken en volhouden. Ze leeft van weinig. De voormalige werkgevers blijven haar aanspreekpunt. Niet omdat zij familie zijn, maar omdat zij het enige vaste contact vormen in een wereld waarvan mevrouw Snikkers ooit deel uitmaakte.
Chronische pijnen en armoede
In 1908 is de armoede onmiskenbaar. Dan schrijft zij dat zij soms niet meer kan schrijven vanwege de chronische pijnen die zij te verduren heeft. Ook verontschuldigt zij zich omdat het haar soms aan geld ontbreekt om postzegels te kunnen kopen. Meerdere malen vraagt zij voorzichtig of men haar enkele postzegels wil toesturen omdat zij anders niet meer kan schrijven. Dat detail is opvallend. Het betekent dat zelfs het kleinste bedrag ontbreekt en dat haar stem letterlijk afhankelijk wordt van liefdadigheid. Toch vraagt zij niet om geld. Ze blijft feliciteren, danken en zich verontschuldigen. Haar waardigheid is het laatste wat zij bewaart.
In 1909 en 1910 verschuift haar toon verder. De hoop op herstel verdwijnt. Ze schrijft niet meer dat het beter zal worden, alleen dat zij probeert “door te komen”. Ze overweegt zelfs om niet meer te schrijven, uit schaamte, om niemand tot last te zijn. Tegelijkertijd klinkt herhaaldelijk de angst door dat zij, zonder postzegels, geheel zou verstommen. Maar telkens keert ze terug naar dezelfde constatering: dat zij anders niemand heeft. De voormalige werkgevers zijn inmiddels niet alleen een herinnering, maar haar laatste houvast.
Na 1910 volgt een radiostilte. Jarenlang zijn er geen kaarten bekend. Die leegte is opvallend. Mogelijk verslechterde haar gezondheid, mogelijk ontbraken de middelen om te schrijven of mogelijk werd haar leven verder teruggebracht tot zwijgend overleven. Voor precies het laatste was zij eerder al zo bang voor.
Wat haar brieven extra bijzonder maakt, is dat zij leefde in een periode waarin er weinig sociale zekerheid bestond. Hoewel de Ongevallenwet van 1901 een eerste voorzichtige stap vormde richting sociale verzekering, waren langdurig zieken zoals mevrouw Snikkers voor hun dagelijks bestaan nog grotendeels afhankelijk van familie, kerkelijke instellingen en particuliere liefdadigheid. Voor alleenstaande vrouwen zonder inkomen kon een ziekte daarom al snel leiden tot sociaal isolement en bittere armoede. Dat zij bleef schrijven aan haar voormalige werkgevers past in dat patroon van persoonlijke afhankelijkheidsrelaties die destijds vaak de plaats innamen van georganiseerde sociale voorzieningen.
“Ons huis”
Wanneer mevrouw Snikkers in december 1916 weer schrijft, is alles veranderd. Ze bedankt uitvoerig voor een ontvangen pakket. In oorlogstijd is zo’n pakje geen kleinigheid, maar een geschenk uit de hemel. Ze noemt het een “heerlijke verrassing” en schrijft dat zij er “erg mee in haar schik was.’’ Voor het eerst in jaren klinkt er oprechte vreugde door haar woorden. Ze stuurt ook een ansichtkaart van het huis waar zij woont: Bethesda, een verpleeg- en oudevrouwentehuis in Rotterdam. “Ons huis”, schrijft zij. Daarmee erkent zij haar nieuwe werkelijkheid. Ze woont niet meer zelfstandig, maar is opgenomen, verzorgd en kent geborgenheid.
Dat beeld maakt haar levensloop compleet. Haar armoede is niet verdwenen, maar draaglijker geworden. Ze is ondergebracht in een instelling die haar laatste vangnet vormt. En ze blijft schrijven. Niet om te klagen of te eisen, maar om dankbaarheid te tonen en te berusten in de situatie waarin zij nu verkeert.
Al haar kaarten eindigen met dezelfde woorden: “Groet van mij, die zich noemt A. H. Snikkers.” Alsof haar naam het laatste bezit is dat zij nog heeft. A. H. Snikkers liet haar stem na op volgeschreven ansichtkaarten, zolang er nog een postzegel voorhanden was.
Groet van mij, die zich noemt A. H. Snikkers
Verpleeg- en oudevrouwentehuis Bethesda in Rotterdam
Huize Bethesda was aan het begin van de twintigste eeuw een Rotterdams verpleeg- en oudevrouwentehuis. Deze "Inrichting voor chronische lijders" werd opgericht in 1892 door de Nederduitsch Hervormde Gemeente in Rotterdam. Het bood onderdak en verzorging aan zieke of verzwakte vrouwen zonder eigen middelen en vormde een laatste vangnet in een tijd waarin sociale zekerheid nog ontbrak. Later, na het leven van mevrouw A.H. Snikkers, werd de inrichting het Bethesdaziekenhuis. Dit ziekenhuis is uiteindelijk opgegaan in het Van Dam-Bethesda Ziekenhuis in Spijkenisse. Na een verhuizing en een naamsverandering ging dit ziekenhuis in 2013 failliet, maar maakte een doorstart als Spijkenisse Medisch Centrum.
Om voor opname in Bethesda in aanmerking te komen, golden wel strenge eisen. Als vrouw moest je ten minste twee jaar belijdend lid zijn van de Nederlands Hervormde kerk, door een medicus chronisch ziek zijn verklaard en een getuigenbewijs aanleveren dat goed zedelijk en godsdienstig gedrag aantoonde. Vervolgens beslisten diakenen over wel of niet opnemen. Overigens werden er vanwege uiteindelijk ook betaalde plekken aangeboden waarvoor nog strengere eisen golden. Deze plekken namen echter niet meer dan een derde deel van de totaal aantal plaatsen in.
Het gebouw van de zorginstelling lag aan de Oostmaas in Rotterdam, maar is helaas gesloopt na de fusie van ziekenhuizen. Er zijn nog wel archiefbeelden.
Armen- en ziekenzorg
Toen mevrouw Snikkers haar kaarten schreef, bestond er nog geen uitgebreid stelsel van sociale zekerheid. Mensen die door ziekte of ouderdom niet meer in hun eigen onderhoud konden voorzien, waren aangewezen op kerken, particulieren of armbesturen in een stad. De zorg werd lokaal geregeld en daardoor was de beschikbaarheid van hulp afhankelijk van waar de persoon woonde en bij welke gemeenschap deze hoorde. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontstond het moderne Nederlandse stelsel van sociale zekerheid met onder meer de Noodwet Ouderdomsvoorziening (1947), AOW (1957) en uiteindelijk de Algemene Bijstandswet (1965).
Bronnen
- Stadsarchief Rotterdam; historische literatuur over Rotterdamse armen- en ziekenzorg rond 1900.
- Stadsarchief Rotterdam; Archief van het Ziekenhuis Bethesda, voorheen gesticht voor chronische lijders, der hervormde Gemeente te Rotterdam
- Huygens Instituut, Sociale Zekerheid 1890-1967. Over de ontwikkeling van armenzorg en sociale verzekeringen in Nederland
-
Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (KNAW), Uitvoering van de armenzorg en de werklozensteun
0 reacties