Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Sliedrechtse goudkoorts en een kinderloze vader

Wie Sliedrecht zegt, zegt baggeren. Het dorp staat op de wereldkaart als bakermat van de bedwingers van water en land. Waar anders zou het Nationaal Baggermuseum zich moeten bevinden? Mijn vader was een Sliedrechtse baggeraar. ‘Mannen van Sliedrecht’ van K. Norel (1949) was zijn lievelingsboek, verplichte stof voor zijn kinderen. Bijna dagelijks deed hij die wereld open: “Bij ons op de baggerwerken was er op een dag…” Kok op een baggermolen van Bos & Kalis - tegenwoordig bekend als Boskalis - was hij geweest en ook daar profiteerden wij van. Hij kookte beter dan onze moeder. 

Sterke verhalen vertellen was zijn passie. En of ze nu echt gebeurd waren of niet, daar maalden wij thuis niet om. Sommige personen namen legendarische proporties aan. Wij zagen hoe ene Willem Pijl zich een pad baande door een bioscoopzaal, terwijl hij met handen als kolenschoppen links en rechts rijen stoelen met de mensen erop wegmaaide. Ze hadden de man een plaatsje toegewezen achter een pilaar. De emmers van een baggermolen rezen voor onze ogen druipend op uit het water, maar het was niet alleen slib dat ze omhoog haalden. Het meeste was rommel, maar er waren ook verrassingen bij zoals fietsen, alle soorten gereedschap, huisraad en soms een lijk, “in vergaande staat van ontbinding”. Huiverend hoorden wij dit aan.

undefinedEmmerladder van baggermolen 'De Schelde' (Collectie Baggermuseum Sliedrecht)

Nog niet zo lang geleden ontdekte ik dat er soms ook goud in een baggeremmer wordt gevonden. Dat was een broer van mijn vader overkomen: oom Piet die baggeraar was geweest bij Adriaan Volker. Maar deze oom was toen al bijna 40 jaar dood. Alles begon met het leegruimen van ons ouderlijk huis na de dood van onze ouders. Op de zolder trof ik een doos aan met brieven, kaarten, rapporten, rekeningen, kasboekjes en foto’s. Er was een briefje bij, gedateerd 18 januari 1950, van Oom Piet waarin hij onze ouders een Gelukkig Nieuwjaar wenst. Hij zelf moet een nieuwe start maken en alles eerst maar eens zien te verwerken. Het is allemaal niet makkelijk voor hem. Navraag bij oude tantes leverde op dat hij toen “grijs als een duif” uit de gevangenis was gekomen. Gevangenis? Ja, ‘ze hadden een goudstaaf gestolen en moesten de bak in’.

Het was duidelijk: als de geschiedschrijver van de familie ging ik op zoek naar het verhaal van ‘de goudstaaf’. De ouderen in Sliedrecht en omgeving hebben ervan gehoord. Maar niet iedereen weet waar het verhaal begon. De oorlog is begonnen. In de vroege morgen van 11 mei 1940 vaart de Maassluise Loodsboot 19 weg uit de Rotterdamse Lekhaven. Het schip heeft een speciale en zeer geheime opdracht gekregen: goud van De Nederlandsche Bank ophalen uit Rotterdam en afleveren in Hoek van Holland. De Britse torpedobootjager “Wild Swan” zal de kostbare lading vervolgens naar London overbrengen om die veilig te stellen voor de Duitsers.

Het schip loopt voor de oever van Vlaardingen op een magnetische mijn, die de avond ervoor door een Duits vliegtuig was uitgeworpen boven de Nieuwe Waterweg. De Loodsboot explodeert, breekt in tweeën en zakt naar de bodem, met in het wrak twaalf mannen en een deel van het goud. De rest van de goudstaven ligt verspreid over de rivierbodem eromheen. Van de overige bemanningsleden spoelen vier lichamen aan en zes mannen overleven de ramp.

undefinedLoodsboot 19 (Fotoarchief F. de Boer)

Er wordt gedoken naar het goud, de wrakdelen worden met de lijken en een deel van het goud geborgen. Ten slotte wordt er op de plek des onheils gebaggerd. Maar als duidelijk wordt dat de bezetter al het goud in beslag neemt, houdt Volker het baggeren voor gezien, in de wetenschap dat er nog 121 goudstaven op de bodem liggen.

En die blijven daar de hele verdere oorlog liggen. Zelfs een jaar na de bevrijding liggen ze er nog! Door een toeval wordt deze bekende schat ontdekt. Adriaan Volker, in combinatie met Den Breejen van den Bout, neemt de klus opnieuw voor zijn rekening. Oom Piet vaart uit op baggermolen de Schelde. De agenda is dubbel: voor de buitenwacht zijn ze slechts bezig met het uitdiepen van de vaargeul. Met het verkregen slib wordt het nieuwe industrieterrein de Spaanse Polder opgespoten. De bagger wordt door de zuiger ‘Sliedrecht IX’, die in de Merwehaven wordt gestationeerd, opgezogen en geperst naar zijn bestemming. Na een goudeerlijk begin slaat bij de bemanningen, na wekenlang blootgesteld te zijn geweest aan een bijna dagelijkse goudvondst, de begeerte op een moment van zwakte toe. Piet drukt samen met zijn maat Fien, die tot op de dag van vandaag in Giessendam “Fien de Goudstaaf” wordt genoemd, een exemplaar achterover. Eentje maar, dat merkt toch niemand…

undefinedBaggermolen 'De Schelde' (Collectie Baggermuseum Sliedrecht)

Na twee jaar komt alles uit en worden zes betrokkenen door de Dordrechtse rechtbank veroordeeld tot een celstraf. Naast mijn eigen familieleden interviewde ik ook nabestaanden van de medeplegers. Velen waren blij dat het gebeuren eindelijk vastgelegd werd. Er werd teruggekeken met gene, maar ook met een glimlach. Niet alle families wensten hun herinneringen met mij te delen, mogelijk weerhouden door schaamte. 

undefined
Oom Piet (Familiearchief)

Dat lag totaal anders bij de familieleden van de bemanning van de Loodsboot 19. Het ging hun om de nagedachtenis van de mannen die hun leven inzetten voor het Belang van het vaderland. Bij hen overheerste het verdriet en het gemis dat voelbaar is tot op de huidige dag. Tekenend was voor velen het feit dat er niet over gesproken werd. Vrouwen en kinderen droegen hun verdriet in stilte. Maar ook zij waren blij dat hun dierbaren niet vergeten zouden worden. De schrijver Maarten ’t Hart was ingenomen met het feit dat het raadsel van de ramp met de Loodsboot eindelijk opgelost was. Zijn vader had de slachtoffers na de oorlog moeten herbegraven in een oorlogsgraf.

Dit alles resulteerde uiteindelijk in mijn boek ‘Baggergoud’, dat uitkwam in 2011. Toen het klaar was, bleef er nog minstens één losse draad over. Van alle bemanningsleden van de Loodsboot had ik een foto en kende ik in grote lijnen hun levensverhaal. Maar dat gold niet voor 1e stoker Johannes van Dok. Omdat hij geen kinderen had en geen overige familie leek te hebben, kon ik geen vragen aan nabestaanden stellen. Zijn beeld en verhalen leken verzegeld. Totdat ik nog eens inzoomde op wat er op de oorspronkelijke grafsteen over hem geschreven was.

“De Heere nam tot zich onzen geliefden man, vader en broeder Joh. van Dok, geb. 23 Dec. 1887, rust zacht, Joh. 14:1 en 2.” Eerder had ik gelezen ‘zwager’, maar toen ik nog eens nauwkeurig keek, zag ik dat er geschreven stond ‘vader’! Johannes was vader, maar hij had toch geen kinderen? Mijn nader onderzoek begon bij hem net als bij alle anderen met het nog eens grondig lezen van zijn persoonskaart. Johannes van Dok werd geboren op 23 december 1887 in Den Helder. Zijn ouders staan niet op de kaart. Hij trouwde aldaar op 9 november 1916 met Johanna Elisabeth Geus, die op 23 juni 1892 als Den Helderse ter wereld kwam. 

Het echtpaar woonde na hun huwelijk eerst in hun geboortestad en daarna nog in Hellevoetsluis, om zich op 23 september 1922 in Maassluis te vestigen aan de Piersonstraat 44. Op 26 juni 1936 verhuisden ze naar de Zuiddijk 20. Bij de ramp met de Loodsboot 19 op 11 mei 1940 stierf Johannes, volgens zijn persoonskaart  toch echt kinderloos. Ook op Johanna Elisabeths kaart komt geen nageslacht voor. De begrafenis vond plaats op 20 juni. De weduwe hield het niet uit in Maassluis. Zij keerde op 11 juli terug naar Noord Holland en vestigde zich in Oudorp en verhuisde in 1941 naar Alkmaar. In december 1940 werd het grafmonument geplaatst. 

undefined(Fotoarchief familie Drijver)

Op 30 mei 1945 trouwde Johanna Elisabeth met de enkele maanden jongere weduwnaar Jan Harder uit Midwoud. De bruidegom had toen al twee gehuwde dochters: Grietje en Trijntje. Jan overleed in 1964 te Midwoud en Johanna stierf in 1969 in Hoorn. Mijn zoektocht wees uit, dat ook Jans dochters inmiddels overleden waren.  Kleinkinderen vertelden mij wat ze wisten: niets. “Oma” Johanna had nooit iets verteld over haar eerste man en er was ook geen enkele foto van hem bewaard gebleven. Aan de hand van het internettelefoonboek konden tientallen Van Doks in Den Helder en omgeving worden gebeld. Niemand van hen echter kende het verhaal van de ramp, niemand had Johannes van Dok gekend. 

Maar ineens gloorde er hoop: een mevrouw G.S. van Dok uit Middenmeer zou kort daarna naar een ‘neven en nichten dag’ gaan en beloofde daar rond te zullen vragen. Dit leverde echter niets op. Wel tipte ze nog haar neef Stoffel Krijnen, die in bejaardenhuis De Golfstroom in Den Helder verbleef. Eindelijk had ik beet: neef Stoffel had “ome Jo” gekend, maar helaas wist hij niet veel meer en “iedereen is al dood”. Wel herinnerde hij zich dat het een heel bijzondere man was, hoewel dat bijzondere nu ook weer niet zo eenvoudig in woorden uit te drukken viel. Na enig denken schoot hem te binnen dat in de mobilisatietijd, het was ook nog het einde van de crisisjaren, als de Loodsboot in Den Helder op de werf lag voor reparatie, ome Jo af en toe een pannetje eten kwam brengen.

Stoffel was dus het laatste nog levende familielid. Ik had me er maar bij neer te leggen dat ik het aangezicht van Johannes van Dok nooit zou zien, zijn plaats in de fotocollage van de bemanning bleef leeg. In mei 2011 echter zocht Hermien Brosi-Pols (1923) contact. Zij was de dochter van 1e stoker Jacob Willem Pols en betreurde het zeer, dat haar verhaal mij niet bereikt had. Wij maakten alsnog een afspraak. Aan het eind van mijn bezoek aan haar vertelde ze, dat ze het zo verdrietig vond dat over Johannes van Dok zo weinig bekend was. Zij had hem namelijk gekend, hij was lid van het Leger des Heils. En verder stond er een fout in mijn boek: hij had wel degelijk een kind: Annie van Dok! 

Hermien was namelijk een paar maal bij de Van Doks aan de Piersonstraat 44 geweest, met uitzicht op het spoor en bij een sloot waar ze kikkervisjes vingen. Ze heeft er ook eens gegeten, vis met een groene graat, ‘geep’ genaamd. Hermiens vader was toen op zee en Van Dok was thuis. Annie heeft een andere keer een rose muts en sjaal voor Hermien gemaakt op haar “brei vlug” (een destijds modern breiapparaat, uitgevonden rond 1920). Nadat Annie een keer was aangereden door een fiets, moest ze binnen blijven. Hermien heeft daar toen met haar gespeeld. Ze herinnert zich, dat Dokter Koumans moest komen. Annie van Dok! Hoe kon dat waar zijn? Waarom ontbrak ze dan op de persoonskaarten van haar ouders? Zou Hermien in de war zijn? Bedroog haar geheugen haar? Maar deze vrouw was volkomen helder en haar verhaal samenhangend.

Desgevraagd antwoordde de afdeling van het Leger des Heils in Maassluis dat er geen archief bestond waarin Johannes van Dok voorkwam. Toen wendde ik mij tot de gemeente Maasluis met het verzoek om inlichtingen uit het woningregister. Het antwoord luidde: “Volgens het woningregister was bij de familie Van Dok inwonend Johanna Verbaarschot. Raadpleging van de persoonskaart leverde de volgende informatie op: Johanna Verbaarschot, beroep dienstbode, geboren 30 december 1920 te Leiden; blijkbaar met de familie Van Dok meegekomen uit Hellevoetsluis, op 23 september 1922 geregistreerd op het adres Piersonstraat 44; op 28 juli 1936 geregistreerd op het adres Zuiddijk 20; op 23 juli 1940 vertrokken naar Oudorp NH, Roerdompstraat 5. Op de persoonskaart staat niet vermeld wat haar relatie was met de familie Van Dok.”

Dus er was bij de Van Doks wel degelijk een kind in huis. En deze Annie, officieel dus Johanna Verbaarschot, moet dan een pleegkind geweest zijn. Johannes en Johanna met een pleegkind genaamd Johanna… Logisch dat ze het kind Annie zijn gaan noemen. Op mijn verzoek ontving ik een kopie van de persoonskaart van pleegdochter Johanna. Zij bleek alleen een moeder te hebben: Margaretha Verbaarschot. Het vakje van een eventuele vader was leeg. Zij was op 23 juli 1940 haar pleegmoeder achterna verhuisd vanuit Maassluis naar Oudorp en vanaf 9 juli 1941 samen met haar gaan wonen in Alkmaar. Pleegmoeder Johanna verliet haar vlak na de bevrijding vanwege haar huwelijk met Jan Harder. Op 19 augustus 1949 werd het adres van pleegdochter Johanna: Loudelsweg 20 in Bergen. 

undefined(Foto: Collectie Historische Vereniging Bergen (NH)

Googelend ontdekte ik dat het hier ging om het Sint Petrus Canisius Retraitehuis en het klooster van de Zusters Ursulinen van Bergen. Zij stierf op 18 januari 1951, 30 jaar oud. Was zij non geworden en daar ingetreden? En hoe was haar vroege dood te verklaren? Het klooster bleek in de jaren 90 van de vorige eeuw gesloopt te zijn, maar de orde bestaat nog steeds en is inmiddels gevestigd in de Kloosterhof Angela Merici, Nesdijk 31 te Bergen. Ik stuurde een bericht naar de Zusters Ursulinen met het verzoek of zij hun archief wilden  raadplegen aangaande Johanna Verbaarschot. 

Zuster Riet Groot antwoordde: “In antwoord op uw vraag stuur ik u een copie van het briefje dat geschreven is bij haar overlijden. Johanna Verbaarschot is ingetreden bij de Zusters Ursulinen van Bergen aan de Loudelsweg te Bergen 27 augustus 1949. Helaas kreeg zij hersenvliesontsteking waaraan zij is overleden op 18 januari 1951. Naar menselijke maatstaven veel te jong. Een medezuster vertelde dat zij een flinke en lieve vrouw was. Zij werkte als novice in de keuken van het moederhuis. Het is niet veel dat ik u kan vertellen, maar misschien kunt u hier iets mee.”

Bergen, 18 Januari 1951

Beste Moeders en Zusters,

Wij berichten U bij deze, dat Zuster Maria CLAUDIA, van het eerste Noviciaatsjaar, geboren Johanna Verbaarschot, deze avond te acht uur, na het ontvangen van het Heilig Sacrament van het Oliesel, in de Heer is overleden. Op Nieuwjaarsdag moest zij de Kerstretraite, die zij volgde, afbreken, omdat zij niet goed was. Kort daarna onderging zij op advies van Dr. Poot een slaapkuur. Omdat zij ieder voedsel en drinken weigerde, moest zij opgenomen worden in het St. Elisabeth Ziekenhuis, waar zij op kunstmatige wijze werd gevoed. Verwarringen van de geest gingen gepaard met zeer hoge koortsen, die het gevolg schenen van een inwendige hevige ontsteking.

Vanavond te zes uur ontving zij het Heilig Oliesel. Met goedvinden van de rector mocht ik haar dat toedienen.  Zij was toen rustig en herkende ons, door W. Moeder, Moeder Engelberta en mij met name te noemen. Na de Pauselijke zegen heeft zij nog de Hemelse Moeder Maria met name aangeroepen. Als bijzonderheid mag wel bekend gemaakt worden, dat zij ruim drie jaar geleden als bekeerlinge uit het Protestantisme door het H. Doopsel in de Kerk werd opgenomen. Haar sterven in het kloosterkleed krijgt daardoor nog een bijzondere betekenis. Het Noviciaat verliest in haar een eenvoudige, volijverige en altijd vrolijke Zuster.

De Uitvaartmis en begrafenis zijn Maandag. Wij bevelen haar ziel in uw Heilig Misoffer en uw gebeden aan. 

Met oprechte groeten, Uw toegen. In Chr.

J.A. Slijkerman, Pr., Moeder Gabriël, Alg. Overste

Onderzoek op internet leverde inmiddels meer vroege gegevens op. De gezinskaart van Johanna’s moeder Margaretha Verbaarschot toont haar geboortedatum: 13 maart 1900 (Den Haag). Haar beroep is zonder/huish/zonder. De lijst van adressen van Margaretha rond Johanna’s geboorte is indrukwekkend. De vrouw zwerft heen en weer tussen Rotterdam, Den Haag en Leiden. Binnen drie jaar woont ze op 9 adressen. Over de kleine Johanna vertelt de kaart dat zij op 4 juli 1922 is vertrokken naar Hellevoetsluis. Of ze toen meteen bij Johannes en Johanna van Dok is komen te wonen weet niemand. Ook is de link tussen de moeder en de pleegouders onbekend.

Moeder Margaretha Verbaarschot trouwde op 26 februari 1936 met Gerrit Herrema, die van beroep monteur, bewaker en stoker was. Gerrit was gescheiden in 1933 en had een zoon Tiede. Nadat Gerrit gestorven was in 1945, leefde Margaretha nog 45 jaar. Zij overleed in 1990, bijna 40 jaar na haar dochter. Johanna Verbaarschot is gestorven zonder vader, met een in 1940 verongelukte pleegvader, met een in 1945 hertrouwde pleegmoeder en met een in 1935 getrouwde moeder, die al in 1945 weduwe was geworden.

De overlijdensakte luidt als volgt: “Heden twee en twintig Januari negentienhonderd een en vijftig verscheen voor mij, Ambtenaar van de Burgerlijke Stand der gemeente Alkmaar, Stadegaard, Antonius, begrafenisondernemer, oud acht en zestig jaar, wonende te Alkmaar, die verklaarde, daarvan uit eigen wetenschap kennis dragende, dat te Alkmaar op achttien Januari negentienhonderd een en vijftig, te een en twintig uur, is overleden Verbaarschot, Johanna, religieuse, oud dertig jaar, geboren te Leiden en wonende te Bergen, dochter van, Verbaarschot, Margaretha, zonder beroep, wonende te ‘s Gravenhage. Waarvan akte, welke overeenkomstig de wet is voorgelezen. A. Stadegaard, De Ambtenaar voornoemd, xxx    

Voor de gemeenschap van de zusters Ursulinen is zij gestorven als Zuster Maria CLAUDIA Verbaarschot. Er is geen foto van haar bewaard gebleven, noch een rouwadvertentie, begrafenisliturgie of bidprentje. Haar graf is er niet meer. Wel staat haar naam op een gedenkplaat in de muur van het huidige klooster. Maar voor Hermien Pols blijft zij in herinnering als haar vriendinnetje Annie van Dok.

Naschrift: Twee brieven die exact een jaar na elkaar geschreven zijn (18 januari 1950 (de brief van Oom Piet) en deze brief uit 1951) omspannen het verhaal van een ramp met veel slachtoffers in Maassluis, een mislukte poging in Rotterdam goud van DNB veilig te stellen voor de Duitsers en een geval van goudkoorts in Sliedrecht en omstreken.

Tekst: Daniel van den Bos
Ede, december 2015

Meer lezen over de gebeurtenissen rondom Loodsboot 19? Lees het complete verhaal in Baggergoud (2011).

Reacties

  1. anoniem

    Leuk

    08 juli 2016

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.