Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

De Rotte Toestanden Maatschappij

Wie dacht dat klagen over het openbaar vervoer een modern verschijnsel is, heeft het mis. Op de Rotterdamsche Tramweg-Maatschappij werd honderd jaar geleden flink gemopperd. Er ontstond zelfs een officieel klaagcomité. Wat was er aan de hand met de ‘Eilandentram’ in deze periode?

"We zijn immers in het oog der directie een bende achterlijke boeren en stumpers… Want dat is de geheime gedachte in het hoofd van deze heeren, wanneer ze hun schouders ophalen over onze klachten. Wij hebben niets te klagen en niets te eischen. Is het niet heerlijk dat we niet hoeven te loopen van Middelharnis of Ouddorp naar Rotterdam, dat we niet hoeven te zwemmen over het Haringvliet?" Dit is een fragment uit een ingezonden brief in het weekblad Onze Eilanden in 1919 over de Rotterdamsche Tramweg- Maatschappij (RTM). De RTM was één van de grootste tramwegondernemingen in Nederland en onderhield vanuit de Rotterdamse Rosestraat verbindingen naar tal van bestemmingen op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. De tram was maatschappelijk en economisch van groot belang, maar veel reizigers waren ontevreden.

Sneller
De Rotterdamsche Tramweg-Maatschappij werd in 1878 opgericht door twee Gelderse ondernemers. Zij wonnen de aanbesteding van de gemeente Rotterdam voor de aanleg en exploitatie van paardentramlijnen in de stad. De maatschappij breidde snel uit, maar trok zich in 1904 terug uit het stadsvervoer om zich te concentreren op het vervoer van en naar de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Hier was vraag naar, onder andere door arbeiders die in de steeds groter wordende Rotterdamse haven gingen werken. De RTM legde een netwerk van stoomtramlijnen aan in de Hoeksche Waard, op Schouwen-Duiveland, Sint Philipsland, Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee. Om de verbindingen op de eilanden op elkaar aan te sluiten, werden ook veerdiensten opgezet. De overheid ondersteunde de plannen. Het Rijk legde voor de RTM speciale tramhavens aan en verstrekte renteloze voorschotten voor de aanleg van de lijnen.

undefinedAfbeelding: RTM Museum Ouddorp

De komst van de tram had veel voordelen voor de inwoners van de eilanden. Vroeger waren ze aangewezen op stoomboten die vanuit diverse haven naar plaatsen als Zierikzee, Rotterdam en Dordrecht vertrokken. Vervoer over land was lastig: de meeste wegen waren onverhard en de kleibodem was, zeker bij slecht weer, lastig te berijden. Met de tram kon dat wel. Bovendien was de tram sneller, zelfs als een deel van het traject met een RTM-stoomboot werd afgelegd. De stoomboot was goedkoper, maar trager. Een reis van Rotterdam naar Hellevoetsluis duurde anno 1909 per boot twee uur en een kwartier, per tram arriveerde je binnen anderhalf uur. Omdat de trams ook vaker gingen, vijf à zeven keer per dag in beide richtingen, werd het mogelijk op één dag op en neer te reizen. Bijvoorbeeld om naar de markt te gaan. Zo reden er op marktdagen vanuit de Hoeksche Waard en Goeree-Overflakkee extra trams naar Rotterdam. In de zomer reden er sneltrams van Rotterdam naar Oostvoorne, vol dagjesmensen die naar het strand gingen.

Zaken doen is bijna onmogelijk, als ik niet zeker weet dat ik op den gestelden tijd aankom. (…) Wat drommel,zijn wij hier op de eilanden dan zulke kaffers, dat wij maar altijd moeten blijven sukkelen met die tram? Waarom gooien we toch niet de ruiten in van elke tram die aankomt?

Ingezonden brief, Onze Eilanden, 27 september 1919

Goederenvervoer
De tram werd ook ingezet om goederen te vervoeren. Zo ging er vee mee met bovengenoemde ‘markttram’ in wagons die achter de personenwagons werden gekoppeld. Op drukke dagen arriveerden soms wel tachtig wagens met koeien in Rotterdam. Daarnaast werden kolen vervoerd, suikerbieten en andere landbouwproducten. De tram werd ook gebruikt voor de post, er waren speciale wagons waar PTTmedewerkers post konden sorteren. Het goederenvervoer was uit bedrijfseconomisch oogpunt erg belangrijk voor de RTM. Zo belangrijk, dat dit soms ten koste ging van de reizigers. Passagiers liepen urenlange vertragingen op doordat er een lading bieten of vee moest worden overgeladen. Soms werd de combinatie reizigers- en goederenvervoer wel heel letterlijk genomen. Zo diende een passagier in 1916 een klacht in over vee dat in de gangpaden stond, tussen de reizigers.

Reizigers klaagden ook dat de trams vaak erg vol waren en ze alleen nog maar konden staan. Er werd ook geklaagd over de tramhaltes. Sommige van de haltegebouwen werden verpacht aan agenten, vaak caféhouders. Er waren niet altijd dienstregelingen beschikbaar en sommige agenten lieten reizigers alleen gebruik maken van de wachtruimtes als ze een consumptie aanschaften. Naast dit soort irritaties waren er ook zorgen over veiligheid. Niet zo gek, want er vonden de eerste jaren geregeld ontsporingen plaats, tussen 1911 en 1918 gemiddeld 21 per jaar.

Nu hebben de meeste reizigers in het openbaar vervoer wel eens klachten, en dat was vroeger niet anders. De sluimerende onvrede over de RTM kwam echter als gevolg van de Eerste Wereldoorlog tot een uitbarsting. Brandstof was schaars en peperduur in deze periode. De RTM was daardoor genoodzaakt de dienstregeling drastisch te beperken en de tarieven te verdubbelen. Ook werd bezuinigd op verlichting en verwarming. Desondanks draaide het bedrijf vanaf 1916 met verlies. Overal in Nederland hadden trambedrijven het zwaar, maar elders was daarvoor ook begrip bij de reizigers. Zo niet bij de passagiers van de RTM. Het was de druppel die de emmer deed overlopen.

De redactie van Onze Eilanden, gevestigd in Middelharnis, nam het voortouw en richtte een Comité van Actie op tegen wat ze ook wel de ‘Rotte Toestanden Maatschappij’ of de ‘Rotterdamsche Middeleeuwsche Tramweg Maatschappij’ noemde. Drijvende kracht hierachter was de jonge journalist J.J.L. van Zuylen, die in een hilarisch ‘Reisverhaal’ zijn ervaringen met de RTM deelde. De overheid moest de exploitatie overnemen, zo was het idee: ‘De RTM moet weg. Zoo spoedig mogelijk. De RTM moet vernietigd worden. Zoo grondig mogelijk.’ Pittige uitspraken voor een regionaal weekblad, maar ze werden breed gedeeld. De actie sloeg aan en het Comité ontving steun van meer dan zestig gemeenten op de eilanden en van Rotterdam en Dordrecht. In krantenartikelen valt vooral het cynisme op van veel raadsleden. De enkeling die liever eerst in gesprek wilde met de RTM werd weggehoond. Eerdere pogingen om op bestuurlijk niveau de problemen aan te kaarten, waren immers op niets uitgelopen. Op de eilanden heerste het idee dat de van oorsprong ‘stadse’ RTM zich niets gelegen liet liggen aan de reizigers en hen beschouwde als ‘achterlijke boeren en stumpers’.

Typerend is een artikel in de Brielsche Courant, naar aanleiding van de overname door de RTM van een  stoombootmaatschappij uit Vlaardingen die op Brielle voer. De RTM paste de dienstregeling aan, tot woede van de krant: ‘Men had altijd nog als reserve: het Vlaardingsche bootje - men kon dus desnoods de tram den bons geven. En zie nu wat er onverwacht gebeurd is! Dat bootje is aan de RTM overgegaan. En wederom bevindt zich het vrije Brielsche land onder een absolutisme, dat … geen verantwoording van zijn daden doet.’

Compleet niets is veilig voor de manier, waarop het personeel der tram met goederen omgaat (...) Er is absoluut niets dat met zorg wordt gedaan bij deze onderneming, alleen aan het verhoogen der tarieven en het innen der transportkosten wordt de meeste zorg besteed. 

Ingezonden brief, Onze Eilanden, 28 december 1918

Onderzoekscommissie
Het Comité van Actie ontving meer dan 5000 reacties en steunbetuigingen. De problemen werden aangekaart bij Provinciale Staten van Zuid-Holland en in de Tweede Kamer. Naar aanleiding daarvan werd in 1919 door de minister van Waterstaat een Commissie tot Onderzoek omtrent het bedrijf der RTM ingesteld, die concludeerde dat de RTM ‘ongeschreven plichten niet erkende’ en geen rekening hield met de reizigers. Daarnaast werden voorstellen voor verbetering van het netwerk gedaan, want diverse trajecten bleken niet geschikt voor de maximaal toegestane snelheid van 35 km per uur. Een deel van de klachten was echter te wijten aan de oorlogsomstandigheden. Het was opvallend, aldus de commissie, dat de bevolking dat niet leek te beseffen. Wat dat betreft benadrukken de gebeurtenissen het belang van klantvriendelijkheid. Wie klanten het gevoel geeft dat ze boeren en stumpers zijn, hoeft niet te rekenen op begrip bij problemen. Initiatiefnemer J.J.L. van Zuylen hoefde zich in ieder geval niet lang meer te ergeren: hij vertrok in 1920 met zijn gezin naar Den Haag, waar hij zijn journalistieke loopbaan voortzette bij diverse dag- en weekbladen. Tussen de eilanders en de RTM kwam het nooit meer helemaal goed, hoewel velen stiekem ook wel gehecht waren aan ‘d’n trem’.

Precies vier uur stoomden we Hellevoetsluis binnen. Een kinderkoor was daar opgesteld, want men had ons al opgegeven. De burgemeester hield een toespraak. Het was roerend. Maar er was geen boot. 
Eindelijk, eindelijk werd het tijd voor de boot van zeven uur. Die vertrok maar een uur te laat, want er moesten honderd en vijftig koeien mee. Er heerschte aan boord dus bepaald gezelligheid. In Middelharnis werden die overgeladen in de tram. Een interessant gezicht. Vooral als je erop staat te wachten.

'Een reisverhaal' door J.L.L. van Zuylen, Onze Eilanden, 30 november 1918

In de loop van de tijd daalde het aantal tramreizigers, vooral door de komst van de autobus en later de auto. De Watersnoodramp in 1953 luidde het einde in voor de RTM. Sommige lijnen werden niet meer hersteld, andere werden opgelapt, maar zonder budget voor grootschalig onderhoud. Beetje bij beetje viel zo het doek voor de tram. De laatste RTM-tram reed op 14 februari 1966 op het traject Spijkenisse-Hellevoetsluis. Een deel van het materieel is bewaard gebleven en te bekijken in het RTM Museum in Ouddorp, waar vandaan ritten worden gemaakt langs het Grevelingenmeer. De fietsroute ‘Sporen van de tram op Goeree-Overflakkee’ voert langs het voormalige tracé op het eiland. De route is te bestellen via de website van het Erfgoedhuis en is ook gratis te downloaden. 

Tekst: Marloes Wellenberg

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Lees het NA-magazine (juli 2013), een uitgave van het Nationaal Archief in samenwerking met G Geschiedenis.

Links

Literatuur

  • A. Dijkers, De Rotterdamsche Tramweg-Maatschappij op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden (Leiden 1971)
  • J.C. Both, 'Dr. Lastpost actief op Goeree-Overflakkee', De Ouwe Waerelt (september 2009)

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.