Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Van het Maasstation naar het eindstation

In dit ooggetuigenverslag wordt beschreven hoe Jacob Frederik van den Blink, geboren 6 september 1921 te Rotterdam, in de Tweede Wereldoorlog werd opgepakt door de nazi's. Hij overleed uiteindelijk in Duitsland op 3 mei 1945.

Ze hadden hem al langer in de gaten. Het was een gerichte en op hem afgestemde actie. Ze hadden geen oog voor anderen, dat kon je duidelijk zien. Toen we van huis gingen hadden we geen aanleiding om te veronderstellen dat hij gevolgd zou worden. Al enige tijd stonden de activiteiten van de groep waartoe Jaap behoorde op een laag pitje, juist door de opgevoerde belangstelling door de SD. Er was informatie doorgegeven door een mol in de Rotterdamse dienst van de SD. Vandaar de relatieve rust bij het verzet, vandaar de onbevangen gemoedsrust bij Jaap en de zekerheid dat de treinreis die hij moest maken voorspoedig zou verlopen.

Arrestatie
In September 1944 gingen we voor de rechtszaak naar Den Haag en we hadden afgesproken dat wij, Bé, Jaap, een meisje van het atelier en ik met z’n vieren zouden gaan. In Den Haag zouden we, na de rechtszaak, nog gaan zwemmen. Aangezien Jaap nog naar Zwijndrecht moest, hij reisde voor het verzet veel met de trein, spraken we af dat hij de trein uit Zwijndrecht zou nemen die om ca. 13.30 uur station DP zou binnenlopen. Hij zou naar ons uitkijken en wij zouden dan bij hem instappen. We waren ruim op tijd en zagen de bewuste trein aankomen. Geen spoor van Jaap. Wat te doen. We wisten dat Jaap een man van de klok was en vermoedden dat hij die trein gemist had. Daarom lieten we de trein maar zonder ons vertrekken om op de volgende te wachten.

Enige tijd later zagen wij tot onze verbazing Jaap bij een loket staan. Aangezien alles kapot gebombardeerd was, kon je dwars over het station kijken. Dus ik loop naar hem toe en vraag: “Hallo Jaap, is alles in orde?” “Ja hoor”, antwoordde hij en we liepen naar de meiden. Plotseling verschenen twee man voor onze neus. Hollandse SD. We moesten onze persoonsbewijzen maar even laten zien. Mijn hart schoot in m’n keel en ik haalde uit mijn binnenzak het persoonsbewijs en gaf het aan één van die gasten. Jaap het zelfde aan de ander. Ze vroegen vanwaar we kwamen en waar we naar toe gingen. Ik vertelde dat we op weg waren naar een rechtszaak in Den Haag en dat mijn boekhouder, hier, mij daar naar toe vergezelde als getuige. Ze namen rustig de tijd om de papieren nauwkeurig te bekijken en wezen elkaar op bepaalde dingen daarin. Jaap wist en ik wist dat deze persoonsbewijzen door het verzet waren gemaakt. Anders had ik al veel eerder naar Duitsland moeten verhuizen vanwege de “Arbeitseinsatz”. Dus we knepen hem behoorlijk. Toen zei die SD ‘er, die mijn papieren had, dat ik kon gaan en gaf het persoonsbewijs weer terug. Ik opgelucht. De andere SD ‘er was nog altijd niet klaar met kijken en zei tegen Jaap dat zij even een en ander moesten checken en hij maar even mee moest. Ik voelde mij van kleur verschieten. Dit gaat fout, dacht ik in een flits. “Maar ik moet tijdig in Den Haag zijn, voor die rechtszaak” , zei ik. “Dan gaat u maar vast vooruit. Als we met mijnheer hier klaar zijn reist hij u wel na”, zei de ene. “Maar mijn boekhouder moet getuigen” , stribbelde ik tegen. Jaap gaf mij een wenk, waaruit ik begreep dat hij bedoelde dat ik niet moest aandringen, anders ging ik óók nog voor de bijl. De twee SD ‘ers pakte Jaap bij de arm en verdwenen in een kantoortje in het stationsgebouw.

Intussen was ik teruggelopen naar de vrouwen en bracht het verschrikkelijke nieuws. Bé had het in de verte alles zien gebeuren en had snel door dat het een arrestatie was. Zij gaf mij de raad om snel te vertrekken, voordat die gasten opnieuw naar mij kwamen kijken. Dat leek mij óók het beste en we spraken af dat Bé en Frieda zouden blijven wachten op de dingen die komen gingen. Dat was om ca. 14.00 uur. Bé vertelde later dat om ongeveer 16.30 uur de deur van dat kantoortje openging en Jaap, tussen de twee SD ‘ers naar buiten kwam. Bé holde op hem af, maar de ene man zei dat hij mee moest, dat wanneer hij niets op zijn geweten had, hij al weer snel naar huis mocht. Hij vond het goed dat ik hem nog even gedag zei. In de emotie van het moment voer Bé uit tegen de SD ‘ers maar Jaap zei: “Stil” ! En vroeg haar snel naar huis te gaan en zijn familie te waarschuwen. Dat was óók het sein om niet te veel te zeggen, dat kon gevaar opleveren, en ook zijn “familie”, het verzet, te informeren. Hij zei verder tegen Bé: “Ga door met je leven, zoals je altijd gedaan hebt in moeilijke tijden, er komt weer een andere tijd. Toen zei hij haar gedag daar op het station en had ze hem voor het laatst gesproken.

Op afstand heeft ze Jaap nog gevolgd en kwam er zo achter dat hij naar de Heemraadsingel werd gebracht. Onderweg had hij omgekeken en toen hij Bé zag, gezwaaid. Bij het gebouw van de SD aangekomen keek hij nog één keer om en zwaaide nogmaals en ging naar binnen. Daar huisde de SD, Groep 10. Dat was berucht. Als je daar naar binnen werd gebracht was er een wonder nodig om je weer heelhuids er uit te krijgen, zo ging het gerucht in die dagen. Intussen had ik de broer van Jaap gebeld om te vertellen wat er aan de hand was. Hij wist niet dat ik wist dat Jaap bij het verzet zat en door het aan zijn broer te vertellen, die óók in het verzet zat, wist ik dat alles in het werk zou worden gesteld om Jaap er uit te krijgen. Dat hadden ze voor veel andere Nederlanders óók gedaan. Toen Bé thuis gekomen was en haar relaas had verteld, gaven we dat ook aan Jaap z’n broer door. De avond was gevallen en we waren min of meer verdwaasd door het gebeuren en we zaten maar stilletjes in onze stoel. Het gevoel dat het niet echt was voerde de boventoon maar toen we weer in actie moesten komen om naar bed te gaan werden we ons weer bewust van de gebeurtenissen van die dag en besefte we dat het maar al te reëel was.

Informatie
De volgende morgen vonden we een briefje in de brievenbus. Een kladje, een hoekje van een enveloppe. Het bleek een berichtje te zijn van Jaap. Hij meldde daarin dat hij naar het Haagsche Veer was overgeplaatst. Het verzet had op het Haagsche Veer, onder de politie-ambtenaren, “echte” Nederlanders. En via één van hen was het briefje uit het gebouw gesmokkeld. Ik heb die volgende dag nogmaals contact opgenomen met Jaap z’n broer en hem uitgelegd hoe de vork in de steel zat met Jaap en ons. Daar keek hij van op. “Dat heb ik nooit geweten” zei hij. Hij heeft toen uitgelegd dat bevrijding van Jaap moeilijk werd om dat de SD wist wat voor een vis zij gevangen  hadden. Dat de bewaking dubbel werd en hij als een belangrijk gevangene werd beschouwd. De enige kans was te wachten totdat hij op transport werd gesteld en er onderweg een kans werd geboden om het te proberen. Ik was daar niet gerust op.

Een paar dagen later; weer een briefje. Daarin stond dat hij zaterdags op transport ging naar een concentratiekamp op de Leusderhei, bij Amersfoort. Direct doorgegeven aan z’n broer en met hem afgesproken dat we zouden proberen informatie te vergaren voor een poging hem te redden. Aangezien we niet wisten van welk station Jaap zou vertrekken, zouden we ieder één station nemen. Hij naar station DP en ik naar het Maasstation. Bé had nog wat eten voor Jaap bemachtigd, een half brood en tien sigaretten. Zo gingen we samen, met angst in onze harten naar het station. En ja hoor, op het Maasstation werden zo’n veertig man, aan elkaar vastgemaakt, naar de trein gevoerd. En Jaap liep daar tussen. De hele groep was komen stil te staan en ik had nog de gelegenheid enige woorden met hem te wisselen. Ik had onderweg verzonnen dat ik zou aanbieden om zijn plaats in te nemen en dan te trachten mij te ontdoen van de boeien, aangezien ik smallere handen had dan Jaap of dat Jaap de vrijheid van handelen zou hebben om met de verzetsgroep een overval te organiseren, waarbij ik dan weer vrij kwam. Eigenlijk geen reëel plan, meer ingegeven door wanhoop. Dat zag Jaap ook zo en zei: “Wim, je hebt een vrouw om voor te zorgen en nu al loop je te veel risico. Het zou mij liever zijn dat jullie beiden weer snel verdwijnen. Dan hoef ik daar geen zorgen over te hebben.” Ik gaf hem het brood en de sigaretten, die hij weer snel onder zijn lotgenoten verdeelde. Typisch Jaap Toen werd het sein gegeven door de aanwezige Duitse bewakers dat men de trein in moest. Hij werd met de anderen de trein ingedrongen en had geen gelegenheid nog om wat te zeggen. Hij keek nog éénmaal om voordat hij in de trein verdween. Een blik die ik nooit vergeten heb. In zijn ogen een  mengeling van vrees voor wat er komen ging en vastberadenheid om dat te kunnen doorstaan. Alle andere aanwezigen, familie en vrienden, neem ik aan, werden door de Duitse bewakers hardhandig uit het station verdreven. We hebben de trein vanuit de verte kunnen zien vertrekken, maar Jaap niet meer gezien. Bedrukt gingen we naar huis. Bevreesd dat we Jaap voor het láátst gezien hadden. Nog een kleine hoop dat het verzet nog iets kon doen.

Frustratie
De volgende dag waren we niets waard. We hadden weinig puf om iets uit te voeren. We hebben nog geprobeerd om Jaap z’n broer nog te spreken te krijgen maar dat was niet gelukt. Wij dachten: hij is bezig. Hoop!

Twee dagen later; weer een briefje in de bus. Hoe dat is gelukt zijn we nooit aan de weet gekomen maar opnieuw wist hij een briefje naar ons te laten smokkelen. Hij schreef: “Bep, ik weet nu wat bidden is”. Dat werd mij te machtig en ik had enige tijd voor mijzelf nodig. Ik liep naar zolder waar ik even ben blijven zitten. Later kwam Bé naar boven en in haar schoot heb ik mij laten gaan en kreeg ik een lange huilbui. Alle spanning en angst van de laatste dagen kwam eruit en het leek of er geen eind aan kwam.

Consternatie
Hierna geef ik het verhaal van Jaap van der Blink weer, zoals het, via een lotgenoot van hem, ter onzer ore is gekomen:

Nadat we, op het Maasstation, in de wagons waren gedreven, ontstond er een diepe stilte. Alleen verstoord door de geluiden die de trein maakte. We werden door de cadans van de trein heen en weer bewogen in een traag ritme die bijna hypnotisch aandeed. Te samen met de absurde sfeer kwamen we in een roes waarin wij terugdachten aan de laatste dagen. Wij allemaal, ik schat een stuk of vijftig, hadden een verhaal. De een was niet terug naar Duitsland gegaan toen zijn verlof was afgelopen, de ander was bij de razzia’s gepakt. Nog een ander en meerdere hadden activiteiten tegen de Duitse bezetter ondernomen. Hier en daar hoorde je snikken. Van lieverlee kwamen er gesprekken op gang en hielden wij elkaar bezig. De tijd ging traag, de trein ook niet snel en bovenal waren we moe. Moe van de doorgestane emoties, moe van het staan en hangen.

Een van ons wist te vertellen, dat had hij ergens opgepikt, dat we naar Amersfoort zouden gaan. Dat beloofde niet veel goeds. Door mijn contacten wist ik dat dat een doorgangskamp was. Daar bleef je nooit lang. Daarna ging je naar Duitsland. Na de hele dag rijden, het ging niet zo snel en de trein stopte vaak, kwamen we in de buurt van Amersfoort. We stopten, niet bij een station, en werden we gesommeerd de trein te verlaten. Luid schreeuwend en vloekend trachten de bewakers ons steeds sneller de trein te doen verlaten. Ging het niet snel genoeg? Dan kwamen ze een handje helpen. Je kreeg schoppen en klappen en struikelend en vallend kwam je in de berm terecht. Toen iedereen uit de trein was, zette de trein zich weer in beweging en liet ons achter met de tierende bewakers, waarbij de agressieve honden er nog een schepje bovenop deden met hun almaar voortdurende geblaf. We moesten van de bewakers in een ordelijke rij afmarcheren richting een stenen brug over een smal watertje. Na een kwartier gelopen te hebben, onder voortdurende bedreiging van happende hondentanden, kwamen we bij een prikkeldraad versperring met een poort. Die werd bewaakt en na dat de poort werd opengedaan liepen wij de poort binnen en bevonden we ons in het “Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort”. Toen wist ik die naam nog niet. Het was een bestaand barakkenkamp toen de Duitsers het in gebruik namen. Het was een kamp geweest van de Nederlandse militairen die op de Leusderhei moesten oefenen. Het heette toen “de Boskamp”.

We werden door de bewakers in een soort afgescheiden ruimte gedreven. We werden omringd door een vier meter hoog hek van prikkeldraad, een soort kraal. De bewaking ging weg en na enige uren konden we kennismaken met de kampbewakers. Het hek werd opengesmeten en we werden met stokslagen uit de “kraal” gedreven. De leider van die bende stond op een boomstronk. Hij wees met zijn stok in mijn richting: “Hé, kale” , ik was al vroeg dun behaard. Er stormden een zevental SS ‘ers op mij af en sloegen en stompten mij op hoofd en schouders. Er word mij gevraagd of ik Joods ben. Dan kreeg een ander weer een beurt. We moesten ons vervolgens midden op de appèlplaats ontkleden en tussen twee rijen SS ‘ers doorrennen. Ze waren allen met stokken gewapend en sloegen ons waar ze ons raken konden. Deze “Empfangzeremonie” kreeg iedere nieuwe groep die binnenkwam, hoorden we later. Dan moesten we “mit Laufschritt”, looppas, vallen, opstaan, hinlegen, aufstehen, hinlegen, rollen, zonder onderbreking, uren achtereen, in de vrieskou, zodat je een gevoel kreeg dat je longen de koude lucht niet meer aankon. Zij die niet meer konden werden ongenadig met knuppels bewerkt. Van velen waren rug en schouders zwart van geronnen bloed, vermengd met het sintelgruis van de appèlplaats.

De barakken
Toen iedereen kapot was, van slagen en inspanning werden we verdeeld in groepen en naar de barakken gedreven. Daar aangekomen werden we door de bewoners ontvangen en zo goed en kwaad als het ging geholpen met de verwondingen. Er waren houten en stenen barakken. De houten stamden nog van voor de oorlog, de stenen waren in opdracht van de Duitsers in de loop van ‘42 door een Nederlandse aannemer gebouwd. Erg deskundig was dat niet gedaan, de fundering was zó laag dat de vloeren beneden het niveau van de begane grond warenkomen te liggen; het gevolg was dat bij regen zwarte modder naar binnen stroomde.

De volgende weken leerden wij hoe we dienden om te gaan met de erbarmelijke omstandigheden en dan nog moest je maar afwachten of één van de vele sadistische bewakers het niet op je gemunt had. Want er was niets voor nodig om slaag te krijgen, strafappèl op te lopen of andere fysieke en mentale folteringen te ondergaan. Je was aan de duivel overgeleverd. Velen kregen grote abcessen. “Door de zeer onhygiënische toestanden en de geringe weerstand van het individu ging", schreef later een arts die in Amersfoort gevangen had gezeten, "ieder wondje etteren: onvoldoende verband en zware arbeid belemmerden een snelle genezing. Daar de bosploeg geen handschoenen mocht dragen en in de felste koude (van Kerstmis ‘44 tot eind januari ‘45) met blote handen de besneeuwde bomen moest kappen en vervoeren, was het aantal bevroren vingers en tenen legio; dit was echter geen reden het werk neer te leggen, zodat de blaren van de bevroren ledematen open gingen en geïnfecteerd werden.” Hoe lang we in Amersfoort verbleven hebben wisten we toen niet. Tijd was een ongrijpbare factor geworden. Het besef van tijd was totaal verdwenen. Of het nu een dag of een week was, het maakte geen verschil. We weten nu dat we eind januari opnieuw op transport gesteld werden. Het vertrek leidde tot een “toneel” dat zelfs de meest geharde kampbewoner met afschuw vervulde. Er werd geslagen, getrapt, geschopt en weer geslagen. Tijd om koffers uit te zoeken (zelfs om zich te kleden) bestaat niet meer, alles moest naar buiten.

Op transport
Daar stonden we dan - sommigen haast ongekleed. De woede van de “Herren” is nu opgewekt. Strafexerceren - liggen - opstaan - zitten - alles vergezeld van stokslagen en trappen met de laars. Eindelijk stonden we weer aangetreden - klaar om naar Duitsland te gaan. Enkelen met alleen een onderbroek aan, anderen zijn in het gelukkige bezit van een hemd - allen hebben echter wel een buil of schram of lopen mank. Dan gaan we met z’n vijven tegelijk de poort uit. Een transport ellendigen - slecht gekleed en slecht gevoed - kapot geslagen. Een brok ellende. We werden de wagons ingeslagen, werden door de na ons komenden dicht tegen elkaar aan gedrukt. De wagons waren vol, je kon niet zitten. Zo hingen we maar wat. Een van de bijdehantere onder ons zei dat we een en ander moesten organiseren. Hoeveel eten was er onder de aanwezigen, was er drinken? Wanneer we voorzichtig gingen herschikken konden we in toerbeurten gaan zitten, terwijl de staanden over de zittenden heen gingen staan, ontstond voor hen óók meer ruimte. Dan na een half uurtje wisselen. In zo’n volle wagon was dat makkelijker gezegd dan gedaan. Maar na enig geëxperimenteer, wat gefoeter hier en daar, lukte het ons op de een of andere manier.

Tijdens een van die rustige momenten maakte ik kennis met JvdB. Ik noem zijn naam niet voluit, ik weet niet of dat tot nadeel van de familie kan leiden. Hij bleek de initiator te zijn van het organiseren van enig comfort in deze bende. Zo maakte ik kennis met hem en het bleek typisch te zijn voor zijn instelling en moed. Wat ik later in andere, nog slechtere omstandigheden, zou herkennen en bewonderen. De reis ging door, de roulatie van zitters en staanders ook. Het weinige eten werd gedeeld, er was geen water. Toen onderweg een keer werd gestopt, iemand kon door een spleet in de wand zien waar we waren en wat er gebeurde, werd de locomotief voorzien van kolen en water. Door ons en ook vanuit de andere wagons werd luid geschreeuwd, allemaal waren het kreten om water. Het enige dat we bereikte was de boosheid van de Duitse bewaker die bovendien nog schreeuwde dat we “Maul halten müssen”. Geen water dus. Na de eerste dag was het eten ook op. De nacht viel in en bij toerbeurt konden we telkens een half uurtje slapen. Waarna we stijf en koud wakker werden. Het was januari 1945, de hongerwinter, ontstellend koud. Velen doorbraken de schroom en stonden of lagen tegen een ander aan om elkaar een béétje te verwarmen. Zo brak de morgen aan. Nog in Nederland werd er verteld. In de loop van de morgen waren we blijkbaar op een zijspoor gerangeerd. We werden onder luid geschreeuw door de Duitsers uit de wagons gehaald en als we in hun ogen te langzaam waren, hoe kan het anders in de benauwde drukke wagons, kregen we klappen. Met stokken, geweerkolven en riemen. We mochten er even uit, om onze behoeften te doen en even de benen te strekken, werd er gezegd. Dat alles duurde bij elkaar een half uur. Weinig tijd met het uit en instappen erbij. In de wagon hadden we al een paar keer onze behoefte moeten doen en dat was onder die omstandigheden verschrikkelijk. De gêne die je moest afschudden, de troep die bleef liggen en de onmogelijkheid om je schoon te maken. Het begin van de aftakeling naar het dierlijke was begonnen. Was dit erg? Wisten we veel, dit was niets.

Bij het opnieuw instappen ontstond er consternatie. Enkele mannen hadden de kans schoon gezien om in de drukte aan de aandacht van de bewakers te ontsnappen en verdwenen in het aangrenzende bos. Direct werd er een patrouille met honden achteraan gestuurd. Wij hoopten dat het de mannen zou lukken. Maar na enige minuten hoorden we op korte afstand schoten klinken. Toen was het stil, ook de honden blaften niet meer. De patrouille kwam terug maar er werd niets gezegd. Het schreeuwen, schoppen en slaan werd voortgezet en moesten we weer de wagons in. Niet in onze “eigen” wagon. Hadden wij nog een beetje kunnen organiseren, de lui in deze wagon blijkbaar niet. Er lagen twee lijken. Bebloed en verminkt. Ik denk dat er paniek was ontstaan en door blinde overlevingsdrang waren deze stumpers doodgetrappeld. We legden ze in een hoek op elkaar en konden, doordat er minder in deze wagon waren gepropt, wat afstand houden. We waren ongeveer met het zelfde clubje en wisten wat we aan elkaar hadden. We hadden geen eten en drinken gekregen tijdens de “plaspauze”. Zodat we behoorlijk hongerig en dorstig waren. In de zelfde omstandigheden kwamen we de tweede dag door. De volgende drie dagen waren niet anders en we raakten in een gemoedstoestand die niet anders te typeren zijn dan apathisch. We kregen geen eten en drinken, we mochten er niet meer uit. We lieten onze behoeften lopen en waren daar onverschillig onder. De trein reed lange trajecten en stopte niet vaak. Af en toe viel iemand flauw en werd zo goed mogelijk beschermd door de staanders. Steeds meer vielen er om, zodat er minder ruimte overbleef voor de staanders. Op den duur bleef je maar niet meer staan en ging je ook maar zitten of liggen, afhankelijk hoe je iets met je buurman kon regelen. Dat betekende vaak dat je als lepeltjes in doos, tegen elkaar aan, moest gaan liggen.

Neuengamme
Pas veel later, na onze bevrijding kreeg ik te horen dat we, na een treinreis van vijf dagen, op 2 februari 1945 in Neuengamme aankwamen. “Konzentrationslager Neuengamme” was een kamp voor ca. 30.000 man. De  woonbarakken waren er propvol en vergeven van vlooien en luizen. We werden als groep niet uit elkaar gehaald en werden in barak 15 ingedeeld. Wat het voedsel betreft: een liter koolrapen- of koolbladerensoep per dag vormde het warme eten. ‘s Morgens een pinkdik sneetje brood. Droog. ‘s Avonds het dubbele van zo’n portie, meestal met een klein stukje margarine, of een lepel jam, of een schijfje worst. Je bent dan zo langzamerhand in het stadium gekomen dat je de kleine visjes, die je aanvankelijk van de stank niet kon benaderen, als een lekkernij ging beschouwen. De dagelijkse gang van zaken bestond uit werken in de fabriek, het had grote werkplaatsen waar
diverse wapens werden gemaakt of werken in de steengroeve, waar stenen werden vervaardigd voor de opbouw van wat gebombardeerd was in de grote steden van Duitsland. Ook werden er groepen naar een “Aussenkommando” gestuurd.  Dat was een soort filiaal. Meestal op behoorlijke afstand zodat daar ook een kamp werd ingericht. Aldaar wordt je dan dagelijks naar de werkplek afgemarcheerd.

Het einde
In Neuengamme werd het dagelijkse leven door de bewakers tot een hel gemaakt. Slaag, slaag, slaag. Weinig eten, weinig slaap, ziekte en hard werken. JvdB had zich opgeworpen als een leidinggevende figuur. Hij trachtte bij de bewakers af en toe voor de ziekste en de zwakste onder ons enige clementie te krijgen, wat alleen maar tot gevolg had dat hij meer en vaker slaag en straf kreeg dan de anderen. Maar toch verlichte hij de pijn, de stress en de uitzichtloze toekomst van velen. Toen werden we óók naar een “Aussenkommando” gestuurd. We wisten niet waar naar toe. Na de oorlog heb ik vernomen dat het “Fühlsbüttel” geweest moet zijn. Het was een plaats waar we tankgrachten moesten graven. Ik zie ons nog terugkomen de eerste avond, dood en doodmoe, met kapotte voeten van de te grote of te nauwe schoenen, vele zieken en zelfs doden met ons mee slepend. we hadden drie tot vier uur
moeten lopen en tot aan onze knieën in het water moeten werken en als we even probeerden te rusten ging de “Ochsenriem” erover.

De eerste de beste avond waren onder ons ca. vijfhonderd gevallen van voetletsel die nodig verbonden diende te worden, sommige met koorts. Twee gevallen van longontsteking. Na twaalf dagen hadden we driehonderd zieken en honderd twintig doden. JvdB was zienderogen achteruitgegaan. Op een van deze tochten naar de werkplek is hij flauwgevallen en zonder onze hulp was hij waarschijnlijk doodgeknuppeld. In die slechte conditie moest hij weer aan het werk. Brede tankgrachten moesten worden gegraven. Het was ontzettend hard werken met slecht materiaal. Voor een gezond iemand zou het al zwaar geweest zijn, laat staan voor ons in onze uitgeputte toestand. Al heel gauw stond je in het water en de modder. Als het werk niet voldoende opgeschoten was, brak de hel los: dan werd het aan één stuk door trappen, slaan en schoppen. Op dezelfde dag gaf JvdB het op. Hij zeeg neer en ondanks het geschreeuw, de klappen en de schoppen, stond hij niet meer op. Hij was bezweken aan de duivelse praktijken van de verschrikkelijkste beestmensen die voorstelbaar zijn. Om beurten droegen we de lijken van hen die die dag waren gestorven terug naar het kamp en legden hen in een aparte barak, waarin inmiddels honderden lijken waren opgestapeld, in afwachting van verbranding in de ovens van Neuengamme. De datum van die dag weet ik niet, is niet belangrijk. Het meest treurige is, dat het een dag als alle andere was, met al zijn afschuwelijke facetten. Het was in de maand april van het jaar 1945.

Tot zover de ooggetuige, die de bevrijding door de Amerikanen meemaakte en bij de interviews door het Rode Kruis, kort na de oorlog, zijn verslag deed. Jaap van de Blink is nooit officieel overleden aangemerkt. De Deutsche Gründlichkeit lieten de folteraars in de laatste chaotische maanden van de oorlog in de steek. De Nederlandse Regering heeft als officiële overlijdensdatum, om een hen moverende reden, 3 mei 1945 gekozen. Dit is in de Staats Courant van 31 januari 1952 nr. 22 vermeld.

door Wim van Kamperdijk sr. (1915-1998)

Reacties

  1. Herman de Hoog

    Jaap's moeder (myn oma) heeft veel geleden om haar zoon. Ik lees zojuist haar dagboek en kwam via de Nederlandse genealogie op uw verhaal af. Ik hoop van harte dat uw vader nog een mooie ouwe dag heeft mogen beleven. Herman de Hoog, zoon van Gre van den Blink. Piketberg, Zuid Africa

    22 maart 2011

  2. Joep van den blink

    Jaap van den Blink is de oom naar wie ik ben vernoemd . Zou graag in contact komen om nadere informatie over deze verrassende publicatie na al die jaren met details die ik zelfs van mijn, inmiddels overleden, vader niet hoorde.

    22 maart 2011

  3. Redactie

    Beste Joep, mail anders even naar redactie@geschiedenisvanzuidholland.nl, dan kan ik jullie met elkaar in contact brengen.

    23 maart 2011

  4. Henk van den Blink

    Als achternaamgenoot ga ik ervan uit dat ik "ergens" familie ben van zowel Joep als de tragisch op jonge leeftijd omgekomen Jacob Frederik. Een digitale speurtocht heeft niet geleid tot meer informatie over Jacob Frederik. Een contact met Joep kan mij zeker verder helpen.

    02 mei 2011

  5. anoniem

    Ik ben Koos de Hoog wonend in Johannesburg, Zuid Afrika. Zoon van Gre van den Blink ben ik als Jacob Frederik dus na dezen oom vernoemd, en ben ik daar zeer trots op. Wat een verhaal zeg. Bedankt dat u dit heb laten optekenen, zodat wij hiervan bewust mogen wezen en er van mogen leren. Groeten uit Afrika.

    22 mei 2015

  6. Redactie

    @Koos de Hoog Dank voor uw reactie. Het blijft bijzonder hoe veel mooie reacties er op dit verhaal binnenkomen!

    26 mei 2015

  7. anoniem

    Geboren in Hillegersberg, Rotterdam, zyn beiden broers Jacob Frederick (Koos) en ik, Herman de Hoog neefs van Jaap van den Blink. Hier in ZA heb ik ene Ben Laauwen bevriendt die ook daar gewoont heeft, en van wie de ouders ook in het verzet zaten. Ben is bereikbaar op FaceBook en woont thans in Nieuwoudtsville, Noord Kaap Provincie, ZA

    06 juli 2015

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.