Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Den gifmenger Van K.

(Door Piet Langeveld, Stichting Oud Sassenheim.) Een zeer talrijk publiek, vooral uit Sassenheim en Lisse, vulde woensdag 3 april 1898 de Haagse rechtszaal. Op een tafel tegen de wand stond een groot aantal glazen flessen en enkele potjes met delen van ingewanden, maag en lever. Verdacht van vergiftiging met rattenkruid van zowel zijn vrouw, Johanna de Winter in december 1897, als van Joop van Diest uit Lisse in januari 1898.

De beklaagde, zwaar geboeid, is een man van 45 jaren met ongunstig uiterlijk, die met groote onverschilligheid binnentreedt, M.J. van K., arbeider uit Sassenheim.'

Van K. woonde in de buurt van de Oude Post, in een buurtje met schamele arbeiderswoningen. Hij was werkzaam bij bloembollenbedrijf Van Leeuwen en Beerhorst (destijds lag het bedrijf rechts van de St. Bernardus). Voor zijn collega’s was hij een vriendelijke vent met altijd een aardig praatje. Hij was eerst gehuwd met Hanna Augustinus met wie hij 10 kinderen had. Zes maanden na de begrafenis van deze vrouw trouwde hij in juli 1896 met de 15 jaar oudere Johanna de Winter. Buiten medeweten van zijn nieuwe geliefde verzekerde hij haar bij de Haarlemsche Verzekering voor f 54,- en bij de Haagsche Verzekering voor f 80,-. 

Familiebezoek

Wegens familiebetrekkingen kwam Van K. regelmatig bij Joop van Diest en dus ook bij diens vrouw Too, een oude liefde van Van K. De familie van Diest woonde in de Steeg, een zijstraatje van de Heereweg in Lisse (nu het verlengde van de Berkhoutlaan, waar de Aldi is gevestigd).

 'In een arbeiderswoning, eenvoudig van buiten doch kraakhelder van binnen. Aan de wanden prijken (het  huisgezin is Rooms) de beeltenissen van verschillende heiligen.

Op den schoorsteen en de op de kasten heiligenbeelden.'

 Ook ontstond er met Joop en Van K. vriendschap en kwamen de families steeds vaker bij elkaar over de vloer. Op 10 januari 1898 was Joop naar Sassenheim geweest en had een bezoek gebracht aan zijn vriend Van K. Toen hij thuis kwam, klaagde hij over hevige pijn in zijn buik. De volgende dag wilde hij naar zijn werk gaan, maar dit ging niet. Zijn vrouw was er niet gerust op en liet dokter C. Metzlar komen, die hem medicijnen voorschreef (geneesheer A.G. Metzlar was arts in Sassenheim, zijn jongere broer C. Metzlar was arts in Lisse). Tijdens de ziekte bracht Van K. de familie bijna dagelijks een bezoek. Donderdagavond, 20 januari, haalde Van K. samen met Treintje van Diest een pint melk bij Van Egmond. Hij vroeg haar of zij ook melk wilde. Treintje weigerde en zei: 'geef het maar aan vader, die is ziek en ik ben gezond. Ik heb het niet nodig.' Na het drinken van 2 glazen melk kreeg Van Diest het erg benauwd, had veel pijn en vroeg om water. Van K. haalde dat bij de pomp en de zieke dronk het gretig op. Een ogenblik daarna begon hij te braken en kort daarna bezweek Joop van Diest. Dokter C. Metzlar begreep er niets van. Hoe kon die sterke kerel zo ineens sterven? Ook spookte het overlijden van Johanna, de vrouw van Van K., door zijn hoofd. Op 11 december bezocht Johanna haar familie in Lisse. Zij klaagde over hevige buikpijn. De dokter vermoedde toen een maagdarmcatarre. Pas twaalf dagen later voelde zij zich wat beter en ging terug naar Sassenheim om thuis kerstfeest te vieren. De dag daarna kreeg zij het vreselijk benauwd en had hevige buikpijn.

Johanna stierf ’s avonds, kerst 1897. Dit tot grote droefenis van Van K.

 'De kist bedekte hij met bloemen en vele bidprentjes. Zelf bad hij aanhoudend, ieder die kwam werd door hem gemaand dat ook te doen en de kinderen kregen daartoe ook den last en op het kerkhof viel hij op het graf. Ieder prees den braven man.'

Dit alles zat dokter C. Metzlar niet lekker. Hij overlegde met zijn broer en burgemeester Jonkheer mr. M. van den Brandeler in Sassenheim. Door allerlei geruchten over de verstandhouding van Too van Diest met Van K. en de vreemde dood, besloten de heren de ingewanden van Joop van Diest voor onderzoek op te sturen naar het Academisch Ziekenhuis in Leiden. Daar constateerde men in de maag de aanwezigheid van arsenicum. De Officier van Justitie liet toen ook het lichaam van de overleden vrouw van Van K. opgraven. Ook bij haar werden sporen van rattengif aangetoond.

Veldwachter L. van de Vijver kreeg opdracht Van K. te arresteren.

 De rechtszaal

In de overvolle rechtszaal werd de eerste getuige gehoord, geneesheer C. Metzlar uit Lisse. Zijn relaas:

'in het lichaam van Joop van Diest en Johanna de Winter zijn grote hoeveelheden arsenicum gevonden. In de maag van Joop van Diest is 953 mg gevonden en bij Johanna de Winter 918 mg, terwijl 100 mg al dodelijk is.'

Op de vraag van de rechter hoe verdachte arsenicum had toegediend, antwoordde Van K. dat hij eind november voor zijn vrouw op een stuk wittebrood een dosis had gedaan en daar boter overheen had gesmeerd. Begin december had hij haar een dosis gegeven op de lepel met medicijnen. Het rattenkruid gebruikte hij normaal voor de verdelging van ratten en muizen op het bloembollenbedrijf van Van Leeuwen en Beerhorst. Doordat Joop van Diest vaak bij de verdachte op bezoek kwam, maakte Van K. van de gelegenheid gebruik om ook aan hem een boterham met arsenicum te presenteren. Tevens bekende hij in de herberg 'De Engel' (bestaat nog steeds in het buurtschap 'De Engel') een sigaar te hebben aangeboden met wat rattengif op de punt. De avond voor de dood van Joop had hij een hoeveelheid in een glas melk gedaan. Dit werd bevestigd door de jongste getuige Treintje, de 14-jarige dochter van het slachtoffer. Zij had gezien dat Van K. met een lepel in de melk roerde, maar wist niet of hij er iets in had gedaan. Na diverse getuigen gehoord te hebben, richtte de rechter zich tot de verdachte en vroeg hoe het zat met de relatie van hem en Too van Diest. Na een stortvloed van woorden kwam het erop neer, dat hij 22 jaar geleden een relatie had gehad met haar, maar die had geen stand gehouden. Echter, oude liefde roest niet en de gevoelens voor elkaar bloeiden weer op. Zij spraken over een huwelijk, als Joop zou zijn overleden. Zo was hij op het idee gekomen om zich van die twee te ontdoen.

Het was verschillende getuigen opgevallen, dat de twee steeds vaker bij elkaar over de vloer kwamen, wat bij de familie wel gefronste wenkbrauwen opleverde. Piet van Diest, de broer van het slachtoffer vond het een schande voor de familie en het dorp. Toch waren er ook getuigen, die niet veel van een intieme verhouding hadden gemerkt. Op de vraag van de rechter of het hem om die f 134,- busgeld (een begrafenisverzekering) te doen was, antwoordde Van K. ontkennend. Het trouwen met Too was zijn enige motief.

'De Officier van Justitie Maclaine Pont ving zijn treffend requisitoir aan met te constateeren dat de afschuwelijke, vreeschelijke daad, hier heden behandeld in lafheid en gemeenheid haar weerga bijna niet heeft. Hoe het ook zij, het staat vast dat Van K. zijne zinnen had gezet op haar te kunnen trouwen, zijne vrouw en de man van zijn geliefde uit de weg te ruimen, hetgeen hij wettig en overtuigend bewezen achtte. Hij noemde wat verdachte is ten laste gelegd, en door vergif te dooden, het lafste, het liederlijkste, het laagste, het gemeenste, het verraderlijkste misdrijf is dat er bestaat en vorderde de veroordeeling van Marcus Johannes van K. tot levenslange gevangenisstraf wegens moord tweemaal gepleegd.'

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in De Aschpotter, het tijdschrift van de Stichting Oud Sassenheim

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.