Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
Pagina uit de Inleydinge tot de Hollandsche Regtsgeleerdheyt van Simon van Groenewegen uit 1652, een bewerking van de gelijknamige studie uit 1631 van Hugo de Groot. Hierin omschreef. De Groot, die ook wel ‘het orakel van Delft’ werd genoemd, het recht zoals dat in onze gewesten gold, in al zijn aspecten. Hij geldt als een van de knapste geleerden uit de geschiedenis van ons land. In ongenade gevallen bij Prins Maurits ontsnapte hij in 1621 op spectaculaire wijze in een boekenkist aan zijn gevangenschap. De rest van zijn leven werkte hij in buitenlandse diplomatieke dienst. In 1645 stierf hij in het Duitse Rostock. Zijn lichaam werd in Delft in de Nieuwe Kerk bijgezet.
Deze kopergravure van het graf van Willem van Oranje is oorspronkelijk vervaardigd als een van de prenten bij de bekendste stadsplattegrond van Delft, de Kaart Figuratief (1675-1678). De plattegrond werd omgeven door prenten en het geheel beeldde de macht en de eerbiedwaardigheid van de stad uit. Voor de ‘projectbegeleider’, burgemeester Dirck Evertsz. van Bleyswijck, werkten drie kunstenaars, namelijk Johannes de Ram, Coenraet Decker en Romeyn de Hooge.
Het vonnis van Balthasar Gerardsz., de moordenaar van Willem van Oranje. Dit vonnis is geveld door de Gecommitteerde Raden van Holland samen met het gerecht van de stad Delft, en staat opgetekend in het Eerste Crimineelboek (1536-1591) van de Delftse schepenbank. Dit register bevat verder rapportages van lijkschouwingen, akten betreffende curatelezaken en afstand van boedelgemeenschap door weduwen; allemaal zaken die het stadsbestuur te behandelen had.
Laatste pagina van een akte van schuldbekentenis door Jan Vermeer en zijn vrouw Catharina Bolnes aan Pieter Claesz. van Ruijven, een rijke Delftse burger (1657). Het was het eerste zekere contact tussen de schilder en zijn belangrijkste afnemer. Van Ruijven zou in de loop der jaren meer dan twintig van Vermeers werken verwerven. Misschien was het geld wel een vooruitbetaling voor nog te maken schilderijen. Omdat het om 200 gulden ging, was het de moeite waard een en ander bij de notaris te laten vastleggen. Het echtpaar Vermeer ging op 30 november 1657 naar notaris Johan van Ophoven, wiens protocollen gelukkig bewaard zijn gebleven.
De laatste jaren vóór de Tweede Wereldoorlog begon de middeleeuwse kerktoren aan het Koningshof in Pijnacker steeds verder over te hellen. Pogingen om dit proces te stoppen mochten niet baten en in de nacht van 17 op 18 april 1940 stortte het bouwsel in. In 2000 is er een getrouwe kopie voor in de plaats gekomen. De foto is waarschijnlijk begin 1940 genomen en is ook als ansichtkaart verspreid.
Een boerenfamilie rond 1905. Op de foto poseren het echtpaar Adrianus Kouwenhoven en Apolonia Kouwenhoven-Ammerlaan met hun kinderen Dora (1889), Sjaan (1880), Mie (1878) en Bas (1892). Drie andere kinderen uit dit gezin zijn jong overleden. Sjaan overleed in 1907, een half jaar na haar huwelijk met Bernardus van der Burgt. Aan de kruisjes om de hals van Dora en haar moeder zien wij dat het gezin katholiek was.
Huis ter Nieuburg is rond 1634 als stadhouderlijk paleis gebouwd door Prins Frederik Hendrik. In Rijswijk zijn in het tijdperk van de Republiek der Verenigde Nederlanden heel veel buitenplaatsen aangelegd door aristocraten uit de omgeving. Deze gravure dateert van vóór de belangrijkste gebeurtenis die in het paleis heeft plaatsgevonden: de Vrede van Rijswijk (1697). Hierbij begroeven stadhouder Willem III, tevens koning van Engeland, de koning van Frankrijk en enkele Duitse staten de strijdbijl. Bij het paleis was een grote tuin aangelegd, in Franse stijl. In de achttiende eeuw raakte het paleis in verval en vanaf 1785 is het in fasen gesloopt. Ook de tuin is weg; in het daar voor in de plaats gekomen Rijswijkse Bos zijn alleen nog twee rechthoekige vijvers over als restanten. In dat bos staat ook de gedenknaald die stadhouder Willem V heeft laten plaatsen ter herinnering aan de Vrede van Rijswijk.
Deze ansichtkaart, uitgegeven door L.A.N. van Velzen te Den Hoorn dateert van circa 1925. De uitgever zou zelf afgebeeld staan in de deuropening van zijn winkel. Bij zo'n plaatje hoor je al snel verzuchtingen over de goede oude tijd in een Hollands dorp. Den Hoorn is de laatste honderd jaar twee keer ‘verhuisd’; in 1921 ging het van de opgeheven gemeente Hof van Delft naar Schipluiden en per 1 januari 2004 ging het van Schipluiden naar Midden-Delfland.
Titelpagina van het Algemeen verslag aan de Provintiale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt, residerende te ’s-Gravenhage, in de zaak van zekere Engeltje van der Vlies te Pijnacker.
Op 15 april 1246 verleende graaf Willem II van Holland (de vader van Floris V) een aantal privileges aan de Delftse poorters, waardoor er voor deze gemeenschap voor het eerst sprake was van een vorm van zelfbestuur. De akte, in het Latijn, gold voor een klein deel van de huidige binnenstad. De bewoners kregen poorterrecht en en een eigen rechtbank (schepenbank). Vanaf 1268 werden de privileges inhoudelijk uitgebreid en werd ook het gebied waarvoor ze golden vergroot.