Zuid-Holland in de steentijd
Hoewel Zuid-Holland in de prehistorie voornamelijk uit ondoordringbaar moeras bestond, woonden er zelfs in de steentijd al mensen.
Trijntje, de oudste mens van Nederland
Tijdens de aanleg van de Betuwelijn stuitten archeologen in 1997 bij Hardinxveld-Giessendam op restanten van bewoning. Ze vonden onder andere het 7500 jaar oude skelet van een vrouw. Het is het oudste skelet dat tot nu toe in Zuid-Hollandse, en zelfs in Nederlandse bodem is aangetroffen. Omdat de opgravingen werden uitgevoerd in voorbereiding op de aanleg van de Betuwelijn, kreeg de vrouw de toepasselijke naam Trijntje toebedeeld.
Tijdens de aanleg van de Betuwelijn stuitten archeologen in 1997 bij Hardinxveld-Giessendam op restanten van bewoning. Ze vonden onder andere het 7500 jaar oude skelet van een vrouw. Het is het oudste skelet dat tot nu toe in Zuid-Hollandse, en zelfs in Nederlandse bodem is aangetroffen. Omdat de opgravingen werden uitgevoerd in voorbereiding op de aanleg van de Betuwelijn, kreeg de vrouw de toepasselijke naam Trijntje toebedeeld.
Uit onderzoek van de botten is gebleken dat Trijntje ongeveer vijftig jaar is geworden en geen kinderen heeft gehad. Er zijn geen sporen van ziekten gevonden, maar haar gebit was opvallend sterk gesleten. Vermoedelijk komt dit door het eten van ruw voedsel en het bewerken van dierenhuiden met haar tanden.
Jagen en vissen
Trijntje behoorde tot een klein groepje jagers en vissers. Deze mensen bivakkeerden in kleine hutjes op een ‘donk’, een zandtop in een verder moerassige omgeving. Zij visten op zowel zoet- als zoutwatervissen. Trijntje en haar groepsgenoten lijken een grote voorkeur te hebben gehad voor snoeken, maar aten bijvoorbeeld ook zeehondenvlees. In het moeras werd gejaagd op vogels en waterdieren als schildpadden. Verder leverde de begroeiing van de zandtoppen en het omringende moeras plantaardig voedsel op, zoals bramen, waternoten, hazelnoten, appels en de wortelknolletjes van speenkruid. Deze mensen en hun honden – het enige huisdier dat ze kenden – woonden niet permanent op deze donk: ’s zomers trokken ze met hun kano’s naar de hoger gelegen gronden in Brabant.
Trijntje behoorde tot een klein groepje jagers en vissers. Deze mensen bivakkeerden in kleine hutjes op een ‘donk’, een zandtop in een verder moerassige omgeving. Zij visten op zowel zoet- als zoutwatervissen. Trijntje en haar groepsgenoten lijken een grote voorkeur te hebben gehad voor snoeken, maar aten bijvoorbeeld ook zeehondenvlees. In het moeras werd gejaagd op vogels en waterdieren als schildpadden. Verder leverde de begroeiing van de zandtoppen en het omringende moeras plantaardig voedsel op, zoals bramen, waternoten, hazelnoten, appels en de wortelknolletjes van speenkruid. Deze mensen en hun honden – het enige huisdier dat ze kenden – woonden niet permanent op deze donk: ’s zomers trokken ze met hun kano’s naar de hoger gelegen gronden in Brabant.
Landbouw
Vanaf omstreeks 3000 v.Chr. schakelden de jagers en vissers geleidelijk aan over op landbouw en veeteelt. Zij bouwden kleine vaste nederzettingen op de zandige hoge plaatsen, waar men weinig last had van overstromingen. Deze cultuur van jagers, vissers en boeren wordt naar de oudste vindplaats de Vlaardingencultuur genoemd.
Vanaf omstreeks 3000 v.Chr. schakelden de jagers en vissers geleidelijk aan over op landbouw en veeteelt. Zij bouwden kleine vaste nederzettingen op de zandige hoge plaatsen, waar men weinig last had van overstromingen. Deze cultuur van jagers, vissers en boeren wordt naar de oudste vindplaats de Vlaardingencultuur genoemd.
- Links
- Rijksmuseum van Oudheden, Leiden
- Archeon, Alphen aan den Rijn
- Stichting voor de Nederlandse Archeologie
- Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN)
- www.archeos.nl, educatieve website over archeologie in Nederland
- Literatuur
- L.P. Louwe Kooijmans e.a. (red.), Nederland in de Prehistorie (Amsterdam 2005) A. Carmiggelt (red.), Opgespoord verleden. Archeologie in de Betuweroute (Abcoude 2001).
