Stille getuigen -2-
Veel funeraire objecten zijn afkomstig van kerken. Uitvaartrituelen waren in het verleden immers onlosmakelijk verbonden met het christendom. Het idee van de wederopstanding, de herrijzenis van het vlees op de Laatste dag, bepaalde de vorm die de lijkbezorging aannam. Omdat de doden weer tot leven gewekt moesten worden werd het dode lichaam begraven in plaats van gecremeerd.
De Schiedamse heilige Liduina. Haar relieken bevinden zich in de gelijknamige basiliek in Schiedam
Vanaf de vroege middeleeuwen begroef men de doden bovendien zo dicht mogelijk bij relieken van heiligen die waren ondergebracht in het hoofdaltaar. Relieken, de met heilige kracht geladen botten van heiligen, boden namelijk bescherming. De heiligen konden zorgen voor bemiddeling met God. Het was daarom gunstig om zo dicht mogelijk bij het altaar begraven te worden. Het begraven in en rond de kerk was dus een neveneffect van de reliekenverering. Zo kwamen in de middeleeuwen de doden, die in de voorchristelijke tijd buiten de stad hun laatste rustplaats vonden, binnen de stadsmuren terecht.
Uit deze religieuze behoefte om in de kerk te begraven ontstonden functionele toepassingen die het uiterlijk van de kerk mede bepaalde. Het begraven onder de kerkvloer veronderstelde bijvoorbeeld een specifieke grafmarkering. De grafzerk, een liggende, platte afdekplaat die omhoog werd getakeld wanneer een kist moest worden bijgezet in een graf, had een dubbelfunctie. De zerk was naast een grafmarkering tevens een vloerplaat. Deze werden versierd met fraaie inscripties en reliëfs die vertellen over de mentaliteit ten opzichte van de dood. In de late middeleeuwen werden transi’s, half vergane lijken, afgebeeld als herinnering aan de vergankelijkheid van het vlees. Het memento mori spoorde aan tot een deugdzaam, spiritueel leven.
Het helpen van de ziel
Het katholieke concept van het vagevuur, waarin de zielen van overledenen een periode van loutering moesten doorstaan voordat ze de hemel konden betreden, veronderstelde typische gebruiken en objecten. Door te bidden voor de ziel van een overledene kon men de tijd die de ziel in het vagevuur moest doorbrengen verkorten en ervoor zorgen dat straffen werden kwijtgescholden. Vanuit deze gedachte ontstonden in de middeleeuwen memorievoorstellingen. Dit waren geschilderde panelen of gebeeldhouwde reliëfs waarop de namen van de overledenen, hun portretten en de familiewapens waren afgebeeld. Ze werden geplaatst boven altaren, maar ook in privé-kapellen, kloostergangen of soms zelfs op kerkhoven.
Het katholieke concept van het vagevuur, waarin de zielen van overledenen een periode van loutering moesten doorstaan voordat ze de hemel konden betreden, veronderstelde typische gebruiken en objecten. Door te bidden voor de ziel van een overledene kon men de tijd die de ziel in het vagevuur moest doorbrengen verkorten en ervoor zorgen dat straffen werden kwijtgescholden. Vanuit deze gedachte ontstonden in de middeleeuwen memorievoorstellingen. Dit waren geschilderde panelen of gebeeldhouwde reliëfs waarop de namen van de overledenen, hun portretten en de familiewapens waren afgebeeld. Ze werden geplaatst boven altaren, maar ook in privé-kapellen, kloostergangen of soms zelfs op kerkhoven.
De memorievoorstellingen bevatten vaak religieuze voorstellingen, vergezeld van gebedsportretten waarin de te herdenken personen knielend en met gevouwen handen werden afgebeeld. De begeleidende tekst waarin de namen en sterfdata staan vermeld, wordt vaak afgesloten met een letterlijke oproep tot gebed: ‘Bid voor de ziel van’. Deze tekst is ook vaak te vinden op bidprentjes, die vanaf 1651 gebruikt werden. Bidprentjes werden na de uitvaartdienst uitgedeeld met als doel de overledene te gedenken en zijn ziel te steunen in het vagevuur. In de negentiende eeuw, door de komst van de lithografeertechniek, werd het bidprentje massaal verspreid waardoor er talloze exemplaren bewaard zijn gebleven.
Reformatie
Veranderde inzichten kunnen bestaande gebruiken ook teniet doen. Luther schreef bijvoorbeeld: “wij hebben in onze kerkgebouwen de pauselijke gruwelen als nachtwaken, zielenmissen, uitvaart, vagevuur en al die andere goochelarij, die ten behoeve van de doden gedaan wordt afgeschaft en helemaal opgeruimd.” De protestante uitvaartrituelen versoberden. Dit werd zichtbaar in het interieur van de protestante kerken: memorievoorstellingen werden weggehaald en specifieke objecten die gebruikt werden tijdens de uitvaartdienst, zoals het wierookvat en wijwaterkwast voor het geven van de absoute, verdwenen.
Veranderde inzichten kunnen bestaande gebruiken ook teniet doen. Luther schreef bijvoorbeeld: “wij hebben in onze kerkgebouwen de pauselijke gruwelen als nachtwaken, zielenmissen, uitvaart, vagevuur en al die andere goochelarij, die ten behoeve van de doden gedaan wordt afgeschaft en helemaal opgeruimd.” De protestante uitvaartrituelen versoberden. Dit werd zichtbaar in het interieur van de protestante kerken: memorievoorstellingen werden weggehaald en specifieke objecten die gebruikt werden tijdens de uitvaartdienst, zoals het wierookvat en wijwaterkwast voor het geven van de absoute, verdwenen.
Lees verder: Stille Getuigen -3 -
archiefstukken
- Heilige Liduina (1498)
- Belasting voor begrafenis kraamkind (1732)
- Treurzang op het overlijden van Gerrit van Hoogeveen (1668)
- Uitnodiging begrafenis Cataryna van Kampe (1714)
- Dodennis in de toren van de Hervormde kerk Strijen
- Begrafenis van de hond van schout De Bont
- Hendrik Tollens: sic transit gloria mundi
- Lijkstatie (ca. 1732)
- Belasting op begraven (1695)
- Spottende uitnodiging voor begrafenis politieke tegenstander
- Treurzang professor Van Heurne (1601)
- Aansprekersoproer in Amsterdam
- Begrafenisschild Goudse pijpmakers (1734)
- Grafsteen Dirck Volkertsz. Coornhert
