Seizoensarbeid: Hannekemaaiers en schoorsteenvegers

Als we het over migratie hebben, vergeten we soms dat mensen niet permanent naar een andere regio verhuisden. In de geschiedenis van Zuid-Holland kwam seizoensmigratie regelmatig voor.
Vraag naar seizoensarbeid
Vanaf het begin van de zeventiende eeuw kwamen ieder jaar weer duizenden arbeiders uit de meer landinwaarts gelegen streken naar Zuid-Holland om gras te maaien, turf te steken of te trekken of andere seizoengebonden arbeid te verrichten. De vraag naar arbeidskrachten was hier groot en het loonpeil in Holland lag twee keer zo hoog als in de oostelijke provincies en drie maal zo hoog als in Westfalen. Dat alles maakte Zuid-Holland een aantrekkelijke bestemming voor seizoensarbeiders.
’Hannekemaaiers’
Tweederde van de trekarbeiders was werkzaam in de landbouw en dan vooral op veeteeltbedrijven. Tussen mei en juni moest voldoende gras worden gemaaid en gedroogd om als veevoer te dienen tijdens de winter. De ’hannekemaaiers’ uit het oosten van Nederland en aangrenzende Duitse streken waren daartoe onontbeerlijk.
Trekarbeiders hielpen ook mee bij het delven van meekrap op de Zuid-Hollandse eilanden, het wieden en maaien van graan in het zuiden van Holland en in de tuinbouw bij de grote steden. In de turfwinning en industrie waren eveneens duizenden trekarbeiders werkzaam.
Bouwvakkers
Ook in de eerste helft van de negentiende eeuw kwamen ieder jaar nog talloze trekarbeiders naar Zuid-Holland. Zij werkten in de landbouw en in mindere mate de nijverheid. Uit het Noord-Duitse Oldenburg kwamen in maart en april veel bouwvakkers naar Zuid-Holland; vanaf juli tot in november keerden zij weer naar hun geboorteplaats terug.
Schoorsteenvegers en strohoedenmakers
Schoorsteenvegers uit Zwitserland en Piemonte vestigden zich in de loop van de negentiende eeuw in verschillende Zuid-Hollandse steden. Zij maakten gebruik van seizoensarbeiders, die uit hun gebied van herkomst kwamen. Ditzelfde patroon viel te herkennen bij de Franssprekende strohoedenmakers uit het Jekerdal, tussen Maastricht en Luik. Zij kwamen in februari en vertrokken weer in juni. Einde negentiende eeuw verdween de vraag naar dit soort seizoensarbeiders sterk.
Literatuur
Jan Lucassen, ’Holland, een open gewest. Immigratie en bevolkingsontwikkeling’, in Th. De Nijs en E. Beukers, Geschiedenis van Holland II. 1572 tot 1795, p. 181-215 (Hilversum 2002)
Jan Kok, ’Van achterblijver tot koploper. Bevolkingsgroei, gezondheid en gezin’, in idem IIIa. 1795-2000, p. 261-298 (Hilversum 2003)
Leo Lucassen, ’Herr Hagenbach en vele anderen. Migratie naar Holland na 1795’, in idem, p. 299-344