Elitecultuur
Onder de Hollandse burgerij ontstond gedurende de Republiek een cultuur die zich onderscheidde van die van het ‘gewone volk’. Al in de vijftiende eeuw verenigden burgers zich in groepen die sinds de zeventiende eeuw als ‘rederijkers’ werden aangeduid.
Rederijkers
Hoewel geen typisch Hollands verschijnsel (ook in Vlaanderen, Brabant en Zeeland waren vele rederijkers te vinden) waren deze gezelschappen in de Gouden Eeuw een belangrijke drager van de Hollandse cultuur. Tijdens de godsdiensttwisten in de jaren 1560 werden de rederijkerskamers verboden, maar nadat het rond 1580 duidelijk was geworden dat de strijd met de Spanjaarden zich verder buiten Holland zou afspelen, hervatten de rederijkers hun activiteiten. De rederijkers waren vooral geconcentreerd in het zuiden van Holland. Met name in de noordwestelijke helft van de huidige provincie waren in haast elke stad of dorp een of meer rederijkerskamers te vinden.
Hoewel geen typisch Hollands verschijnsel (ook in Vlaanderen, Brabant en Zeeland waren vele rederijkers te vinden) waren deze gezelschappen in de Gouden Eeuw een belangrijke drager van de Hollandse cultuur. Tijdens de godsdiensttwisten in de jaren 1560 werden de rederijkerskamers verboden, maar nadat het rond 1580 duidelijk was geworden dat de strijd met de Spanjaarden zich verder buiten Holland zou afspelen, hervatten de rederijkers hun activiteiten. De rederijkers waren vooral geconcentreerd in het zuiden van Holland. Met name in de noordwestelijke helft van de huidige provincie waren in haast elke stad of dorp een of meer rederijkerskamers te vinden.
De rederijkers hielden zich onder andere bezig met het maken van literatuur en poëzie, voordrachtskunst en toneel. Ook werden er wedstrijden gehouden tussen verschillende rederijkerskamers. Een aantal van de bekendste producten van de rederijkers zijn verschillende liederen uit het Geuzenliedboek, waarin ook het Wilhelmus voor het eerst verscheen. Rond 1625 verdwenen de rederijkersgezelschappen geleidelijk en werden zij vervangen door dichtgenootschappen, die veel aandacht hadden voor correct taalgebruik. Veel leden van dichtgenootschappen waren te vinden in Rotterdam, Leiden en Den Haag.
Sociëteiten, musea, dierentuinen
In de negentiende eeuw begonnen mannelijke leden van de elite zich te verenigen in sociëteiten, een soort gezelligheidsverenigingen. Deze naam werd later voornamelijk gebruikt voor studentenverenigingen. De elite ontwikkelde steeds meer interesses naast literatuur en poëzie. Om aan de vraag naar kennis en vermaak te voldoen verschenen musea en dierentuinen. Zo werd het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden in 1818 geopend en Diergaarde Blijdorp in Rotterdam in 1857. Door de toenemende welvaart werden deze vormen van elitecultuur in de loop van de twintigste eeuw bereikbaar voor steeds meer mensen.
In de negentiende eeuw begonnen mannelijke leden van de elite zich te verenigen in sociëteiten, een soort gezelligheidsverenigingen. Deze naam werd later voornamelijk gebruikt voor studentenverenigingen. De elite ontwikkelde steeds meer interesses naast literatuur en poëzie. Om aan de vraag naar kennis en vermaak te voldoen verschenen musea en dierentuinen. Zo werd het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden in 1818 geopend en Diergaarde Blijdorp in Rotterdam in 1857. Door de toenemende welvaart werden deze vormen van elitecultuur in de loop van de twintigste eeuw bereikbaar voor steeds meer mensen.
- Literatuur
- C. van Doorn, 125 jaar diergaarde. 1857-mei-1982 (Rotterdam 1982).
- E.K. Grootes, ‘Het rijke literaire leven. Hollands hegemonie in de letteren en de verwording van een Hollandse identiteit’ in: Thimo de Nijs en Eelco Beukers red., Geschiedenis van Holland. Deel 2 1572 tot 1795 (Hilversum 2002) 353-378.
- Jan de Jongste, Juliette Roding en Boukje Thijs red., Vermaak van de elite in de vroegmoderne tijd (Hilversum 1999).
- Nelleke Moser, De strijd voor rhetorica. Poëtica en positie van rederijkers in Vlaanderen, Brabant, Zeeland en Holland tussen 1450 en 1620 (Amsterdam 2001).
