Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
Zuid-Holland kent diverse typen molens. In de loop van de tijd vonden er verbeteringen en moderniseringen plaats en ontstonden er nieuwe typen. Een overzicht van de verschillende typen molens en molenfuncties:
Dit is de oervorm van de molen. Eigenlijk is het de vergroting van een klein maalwerktuig. Het molenhuis staat op een spil of standerd, die wordt gestut met zogenoemde schoren. Molenhuis en wieken kunnen ‘op de wind’ worden gezet.
De torenmolen is een ronde met zware bakstenen gebouwde korenmolen. Het is een overgangstype van een standerdmolen naar een bovenkruier.
Op de romp van dit in Zuid-Holland veel voorkomende molentype zit een draaibare kap. De meeste bovenkruiers zijn hier uitgevoerd als ‘grondzeiler’ - de wieken reiken bijna tot de grond. Met de wipmolen is de bovenkruier het meest voorkomende Nederlandse molentype.
De wipmolen is ontwikkeld uit de standerdmolen en is doorgaans een poldermolen. In het draaibare, gewoonlijk fel gekleurde bovendeel bevindt zich de ‘wiekenas’ die de ‘koningsspil’ doet draaien. Het voorvoegsel ‘wip’ verwijst waarschijnlijk naar het bewegen van deze molens tijdens het malen.
Stellingmolens zijn hoog omdat ze boven de omliggende bebouwing voldoende wind moeten kunnen vangen. Meestal zijn het stadsmolens, zoals in Schiedam. Rond de romp bevindt zich een stelling of ‘balie’. De molenaar kan vanaf de balie de kap op de wind kruien (draaien).
Bij dit type kan de hele romp ‘op de wind worden gezet’; de romp draait op rollen die rusten op een zware gemetselde ringmuur. In paltrokmolens werd hout gezaagd.
Een op of aan een stadsmuur of –wal gebouwde molen wordt een walmolen genoemd.
Naast windmolens zijn er watermolens. Deze worden aangedreven door een rad dat in beweging wordt gezet door hoogteverschil tussen eb en vloed (we spreken dan van een ‘getijmolen’), rivier of beek.
Als de molen op een heuvel of berg is gebouwd noemt men dit een berg- of beltmolen.
Oorspronkelijk werd in molens graan tot meel gemalen. Molens waarin dit gebeurde (en gebeurt) worden korenmolens genoemd. Vanaf de 15e eeuw ging men molens ook gebruiken om polders droog te malen. Sindsdien zijn molens wat hun functie betreft op te delen in twee hoofdgroepen: poldermolens (die grote delen van Zuid-Holland droogmaalden waardoor bewoning van het land steeds beter mogelijk werd) en koren- en industriemolens, waarin sinds de 16e eeuw steeds meer producten werden gemalen of bewerkt. Een overzicht:
Graan werd in de molen tot meel gemalen, en het meel ging naar de bakker die er brood van bakte. Gemalen mout werd gebruikt voor het maken van jenever.
Oliemolens persten olie uit zaden als lijnzaad en koolzaad. Het zaad werd onder het gewicht van verticaal draaiende stenen, op een ‘kollergang’, gewreven en geplet.
Kollergangen werden ook ingezet voor het fijnmalen van specerijen, cacao en snuiftabak.
Gemalen tufsteen (‘tras’) vormde, vermengd met schepkalk en water, een uitstekende metselspecie.
In de 16e eeuw werd hout vooral in paltrokmolens gezaagd. Later gebeurde dit ook in stellingmolens. De houtzaagmolens maakten het mogelijk dat er hier veel meer houten schepen konden worden gebouwd. Hierdoor kreeg de Republiek der Verenigde Nederlanden (1588-1795) de beschikking over een grote oorlogs-, vissers- en handelsvloot.
In verfmolens werden minerale en plantaardige grondstoffen tot verfpoeder vermalen. In sommige molens werd kobalterts fijn gemalen tot blauwe verfpoeder dat aan Delfts aardewerk zijn karakteristieke kleur gaf.
De meeste papiermolens in Zuid-Holland stonden in Waddinxveen: vijftien in totaal.
Verschillende typen molens werden gebruikt voor het fijnmalen van eikenschors voor de bewerking van huiden tot leer. Deze molens werden run- of eekmolens genoemd.
Leiden was vroeger het centrum van de lakenindustrie. Van wol gemaakt laken was eeuwenlang de belangrijkste kledingstof. Vollen is een bewerking van geweven wollen stof, waarbij de vezels werden bewerkt. Dit gebeurde in de talrijke ‘volmolens’ in en rond Leiden.
Hennep werd geknakt en geplet ten behoeve van het maken van touw en zeildoek. Dit gebeurde in de beukmolens. In Gouda stonden twee getijmolens die als beukmolen dienst deden.
In een molen kwam ook geregeld meer dan één nijverheid voor. Zo hebben er bijvoorbeeld run-tras-verfmolens en olie-korenmolens bestaan. In de archieven komen naast bovengenoemde molens ook kruit-, koper- en kalandermolens (voor het bewerken of ‘mangelen’ van textiel) voor.
Lees verder: Het leven op een molen
0 Reacties