Productie van luxegoederen

Tijdens de Gouden Eeuw was in Zuid-Holland een koopkrachtig publiek ontstaan, met een luxe leefstijl. Hiervan profiteerden talloze schilders, meubelmakers, hoveniers, goudsmeden en kleermakers. Toen de welvaartsgroei na 1650 afvlakte, moesten ook zij zich aanpassen.

Porselein uit Delft, zilver uit Schoonhoven

Stof voor nieuwe uniformen (1702) Stof voor nieuwe uniformen (1702)


Op verscheidene plaatsen in Zuid-Holland waren dergelijke luxe-industrieën gevestigd. In Delft bijvoorbeeld werd hoogwaardig ‘Delftsblauw’ aardewerk gemaakt, naar Chinees voorbeeld. Het meest indrukwekkend waren de zogeheten ‘tulpenvazen’, kunstige creaties van porselein met aparte tuitjes voor steeds één bloem.
Maar ook andere steden kenden hun luxeproducten. Schoonhoven bijvoorbeeld stond bekend om zijn tapijtwevers en zilversmeden.

Welgesteld Den Haag


Den Haag was als Hofstad een aantrekkelijke woonplaats voor de welgestelden. Zij hadden behoefte aan luxewaar voor hun interieurs, zoals behang, meubels en schilderijen. In deze vraag werd ruimschoots voorzien: zo was er in de zeventiende eeuw de befaamde goudleerbehangfabriek De Swart aan het Westeinde en voerden lokale meubel- en klokkenmakers in de achttiende eeuw de ontwerpen uit van kunstenaars als Daniël Marot en Matthijs Horrix.

Concurrentie

Belasting op luxe (2e helft 18e eeuw) Belasting op luxe (2e helft 18e eeuw)


Na de Gouden Eeuw vond in de Zuid-Hollandse economie een omschakeling plaats. In het derde kwart van de zeventiende eeuw nam de concurrentiekracht van de Zuid-Hollandse economie af. Het Zuid-Hollandse loonniveau lag hoog, zodat arbeidsintensieve nijverheid kampte met een stevige buitenlandse concurrentie. Aangezien kapitaal nog steeds vrij overvloedig beschikbaar was en de rente laag, ging het nog heel behoorlijk met bedrijven die relatief weinig arbeid nodig hadden, maar wel veel kapitaal. Typische voorbeelden daarvan zijn de Schiedamse jeneverstokerijen en de suikerziederijen.

Neergang


Ook de producenten van luxeproducten kregen met deze omslag te maken. In Delft sloot bijvoorbeeld de ene plateelbakkerij na de andere. Elders, zoals in Schoonhoven, was de neergang minder sterk merkbaar. Maar het algehele beeld was toch dat veel producenten vertrokken naar Den Haag en Amsterdam, de steden waar nog de meeste koopkracht was overgebleven. Toen aan het einde van de achttiende eeuw ook hier de economie stagneerde, moesten veel bedrijven alsnog hun deuren sluiten.

Zie ook De opkomst van de tuinbouw, over luxe tuinbouwproducten als tropisch fruit.

Links

Literatuur

  • Marion S. van Aken-Fehmers, Delfts aardewerk: geschiedenis van een nationaal product 3 dl. (Zwolle 1999-2003).
  • C.L.H. Scholten en T. Eliëns, Haags porselein 1776-1790: een ‘Hollands’ product volgens de internationale mode (Zwolle 2000).
  • Johan de Vries, De economische achteruitgang der Republiek in de achttiende eeuw (Leiden 1968).

Plaats een reactie


(Zonder naam wordt 'Anoniem' als afzender getoond)
(E-mailadres is niet zichtbaar op de site)

Bovenstaande tekst s.v.p. overtypen (anti-spam)

0 Reacties

x

Aanmelden



Wachtwoord vergeten?

Vul dan hieronder uw e-mailadres in. U ontvangt dan binnen enkele minuten een e-mail met instructies om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.


Registreren





Profielafbeelding toevoegen