De Zuid-Hollandse verveningsplassen worden ingepolderd

De achttiende eeuw is in Zuid-Holland de eeuw van de grote droogmakerijen. Met behulp van windmolens werden de gaten in het landschap gedicht.

Turfwinning


In de zestiende en zeventiende eeuw hadden ijverige boeren waar dat ook maar kon turf gestoken. Turf (het halfverrotte restant van de vroegere veenmoerassen) was dé brandstof van de Gouden Eeuw. Om de gevolgen van hun activiteiten hadden de turftrekkers zich niet zo bekommerd: overal in het Zuid-Hollandse landschap waren grote plassen ontstaan. Deze verveningsplassen vormden een serieuze bedreiging. De oevers kalfden constant af en een stad als Gouda liep gevaar. Droogmaken was de enige oplossing – en dat gebeurde in de achttiende eeuw dan ook op grote schaal.

Molenbemaling


Deze landaanwinning was niet helemaal nieuw. In de zeventiende eeuw waren met name in Holland ten noorden van het IJ al verscheidene meren drooggelegd, waaronder de Beemster en de Schemer. Dat gebeurde met behulp van windmolens. Omdat deze poldermolens het water niet heel hoog konden oppompen (ongeveer 1 m per molen), werden er vaak een aantal achter elkaar gezet. Zo ontstond een zogeheten ‘molengang’.

Droogmakerij Polder Berkel (1776-1777) Droogmakerij Polder Berkel (1776-1777)

In de achttiende eeuw werd nog een andere uitvinding toegepast: het aloude scheprad werd vervangen door een ‘vijzel’. Met deze ‘schroef van Archimedes’ kon een poldermolen het water aanzienlijk hoger opvoeren – en kon men dus diepere plassen droogmalen. Dat was ook nodig: met speciale beugels hadden de turftrekkers het veen vaak tot op grote diepte uitgebaggerd.

Onvoltooid

Dankzij deze technieken konden in de tweede helft van de achttiende eeuw enkele grote plassen worden drooggelegd, zoals die bij Bleiswijk en Hillegersberg en de Noordplas bij Hazerswoude. In de achttiende eeuw verrezen ook de wereldberoemde molens bij Kinderdijk (1738-1740). Ze waren overigens niet bestemd om plassen droog te leggen, maar om de grote hoeveelheden polderwater uit de Alblasserwaard af te voeren. Ondanks alle inspanningen was het Zuid-Hollandse watergevaar rond 1800 nog niet geweken. De enorme Zuidplas bijvoorbeeld lag nog open. Die kon pas worden bedwongen na de introductie van de stoommachine.

Links

Literatuur

  • E. Bosma e.a. (ed.), De molens van Zuid-Holland (Den Haag 1980)
  • Milja van Tielhof, ‘Betrokken bij de waterstaat. Boeren, burgers en overheden ten zuiden van het IJ tot 1800’, in E. Beukers (red.), Hollanders en het water. Twintig eeuwen strijd en profijt (Hilversum 2007) 61-98.
  • G.P. van de Ven (ed.), Leefbaar laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland (Utrecht 1993).

Plaats een reactie


(Zonder naam wordt 'Anoniem' als afzender getoond)
(E-mailadres is niet zichtbaar op de site)

Bovenstaande tekst s.v.p. overtypen (anti-spam)

0 Reacties

x

Aanmelden



Wachtwoord vergeten?

Vul dan hieronder uw e-mailadres in. U ontvangt dan binnen enkele minuten een e-mail met instructies om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.


Registreren





Profielafbeelding toevoegen