Steden in de Gouden Eeuw

Halverwege de zeventiende eeuw vormden steden de kern van het politieke bestel in Holland. De ‘regenten’ waren vóór alles stadsbestuurders. Voor het lidmaatschap van een stadsbestuur was rijkdom een vanzelfsprekende voorwaarde. Maar het was niet genoeg: men moest ook behoren tot de sociale kring van de mensen die al in het bestuur zaten.

Stadsbestuur

Deze groep hield zichzelf in stand doordat nieuwe bestuurders werden gekozen door de ‘vroedschap’, een raad waarvan de leden (veelal zelf oud-bestuurders) voor het leven waren benoemd. Deze vroedschap koos jaarlijks drie of vier ’burgemeesters’ om te fungeren als dagelijks bestuur.

Corrupte oud-burgemeester (1686) Corrupte oud-burgemeester (1686)

De ambten die geld, macht en aanzien met zich meebrachten, stonden in feite alleen open voor wie nauwe relaties had met de vroedschap. Overigens heerste hier vaak wel rivaliteit tussen ‘facties’ (partijen): in de strijd om de beste banen trachtte de ene factie leden van de andere van de belangrijkste ambten uit te sluiten.Waar dat lukte, heerste onrust, omdat een deel van de regenten van invloed en inkomsten was verstoken; waar het niet lukte, heerste ontevredenheid, omdat de banen moesten worden verdeeld over relatief veel gegadigden.

De steden breiden zich uit

Dankzij de toegenomen handel en nijverheid groeiden de steden in de zestiende en zeventiende eeuw snel. Dat maakte stedenbouwkundige ingrepen nodig: men legde grachtenstelsels aan en bouwde nieuwe stadsmuren en -poorten. De economische voorspoed maakte het bovendien mogelijk in oude én nieuwe stadswijken imposante kerken en stadhuizen neer te zetten. De stadspoorten, waag- en marktgebouwen waren eveneens toonbeelden van stedelijke trots.

Opmerkelijk is dat ook ‘sociale instellingen’ als weeshuizen, armenhuizen en ziekenhuizen prestigieus werden vormgegeven: ook daarmee kon de stad zich aan de buitenwereld presenteren als een goed georganiseerde maatschappij. Tegelijkertijd lieten welvarende regenten en kooplieden fraaie woonhuizen ontwerpen, veelal gesitueerd aan de grachten. Al deze bouwactiviteiten waren ook bevorderlijk voor tapijtwevers, schilders en meubelmakers – want vanzelfsprekend mocht de inrichting niet achterblijven bij de gevel.

Zie ook Stedelijke politiek in de zeventiende eeuw en Sociale zorg in Zuid-Hollandse steden.

Literatuur

  • Paul Knevel, ’Een kwestie van overleven. De kunst van het samenleven’, in Th. de Nijs en E. Beukers, Geschiedenis van Holland II. 1572 tot 1795 (Hilversum 2002) 217-254.
  • Eric Jan Sluijter, ’Vele vermaerde ende treffelicke schilders’. Beelden van de Hollandse schilderkunst’, in idem, 379-420.
  • Freek Schmidt, ’De Hollandse ruimte. Architectuur en stedenbouw’, in idem, 435-464.

Plaats een reactie


(Zonder naam wordt 'Anoniem' als afzender getoond)
(E-mailadres is niet zichtbaar op de site)

Bovenstaande tekst s.v.p. overtypen (anti-spam)

1 Reacties

lila van duinen | 23 november 2010 om 14:48
vet vet saai
x

Aanmelden



Wachtwoord vergeten?

Vul dan hieronder uw e-mailadres in. U ontvangt dan binnen enkele minuten een e-mail met instructies om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.


Registreren





Profielafbeelding toevoegen