Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
Nog meer dan in de zeventiende eeuw was het stadsbestuur in de achttiende eeuw een aangelegenheid van de elite. Deze werkte, net als in de eeuw ervoor, aan de verfraaiing van het uiterlijk van de stad. De groei was evenwel tot stilstand gekomen.
Gedurende de zeventiende eeuw was het bestuur van de steden in handen van een kleine elite. Slechts af en toe wist (rijke) buitenstaanders hierin door te dringen.
In de achttiende eeuw veranderde dit nauwelijks. Terwijl hun zeventiende-eeuwse voorgangers het bestuurswerk veelal nog naast hun dagelijks werk verrichten, waren de achttiende-eeuwse bestuurders regenten pur sang, voor wie besturen de hoofdtaak was. De beste kwalificatie die een aspirant-bestuurder kon hebben was dat hij verwant was aan lieden die eerder deel hadden uitgemaakt van het bestuur.
Om een einde te maken aan het onbevredigende getouwtrek om baantjes besloot veel steden in de loop van de achttiende eeuw de bestuursfuncties volgens vaste afspraken te laten rouleren over de verschillende belanghebbenden. Voor buitenstaanders werd het nog lastiger burgemeester te worden.
In de achttiende eeuw bleef de omvang van de meeste steden gelijk – alleen Den Haag breidde nog substantieel uit. Wel veranderde het stadsbeeld als geheel ingrijpend. In het bijzonder de woonhuizen werden uitgebreid, van indeling veranderd en voorzien van nieuwe, modieuze gevels, die rijk met natuursteen waren gedecoreerd. Ook de openbare gebouwen in de steden kregen soms nieuwe façades, maar verder bleef veel bij het oude. Zo werden naast de armengasthuizen, burgerweeshuizen en proveniershuizen (voor ouderen) geen nieuwe sociale instellingen meer ontwikkeld.
0 Reacties