Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
Begin negentiende eeuw waren veel Zuid-Hollandse steden in het slop geraakt. Na 1860 kregen ze evenwel een nieuwe impuls, onder meer door de oprukkende industrialisatie.
Bestuurlijk betekende de Franse tijd (1795-1813) voor de steden nauwelijks een vernieuwing. In 1820 maakten nog altijd slechts enkele families de dienst uit.
Toch veranderde er wel iets. Na 1815 werden de leden van de gemeenteraad niet langer gekozen door een vroedschap, maar (tot 1851) door een kiescollege, dat op zijn beurt weer was gekozen door de welgestelde burgers. Bovendien gold er een verbod op bloedverwantschap tussen raadsleden en bestuurders. Daardoor kwamen de raadsleden over het algemeen uit een iets breder samengestelde groep dan de elite van voor 1795.
In 1851 werd een nieuwe Gemeentewet van kracht. Voortaan werd de gemeenteraad rechtstreeks door de burgers gekozen. Deze raad bepaalde het beleid; het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) fungeerde formeel slechts als dagelijks bestuur van de raad.
Aan het begin van de eeuw kampten sommige Zuid-Hollandse steden met leegloop en verval. De Franse bezetting had de economie forse schade toegebracht; de gouden handelstijden van weleer waren definitief voorbij. Dat kwam ook tot uiting in het stadsbeeld. Overal waren lege plekken en verlaten, soms zelfs ingestorte huizen te zien. Pas later in de eeuw wisten de steden zich te herstellen, met name toen de industrialisatie rond 1870 ook tot Zuid-Holland doordrong. Dankzij de nieuwe welvaart kon er weer gebouwd worden; voor het eerst sinds tijden verrezen er weer nieuwe stadswijken.
De steden zorgden onder meer voor armenzorg, onderwijs, openbare orde, belastingheffing, gezondheidszorg en regulering van het commerciële leven. Daarbij konden ze beschikken over een bescheiden, maar groeiend ambtenarenapparaat. Het omvatte de politie, schutterij, openbare werken, ziekenhuizen, marktwezen, gemeentelijke scholen en een belastingdienst. Dat laatste was nodig voor het heffen van plaatselijke accijnzen en opcenten (toeslagen) op de landelijke belasting. Desondanks gingen de steden vaak gebukt onder hoge schulden.
0 Reacties