Nederlanders trekken naar Zuid-Holland

Eeuwenlang is Holland een aantrekkelijk vestigingsgebied geweest voor mensen elders uit de Noordelijke Lage Landen. Ze hoopten op een beter leven.

Arbeidsmigranten

Landverhuizers Landverhuizers (1850-1899)


Tussen 1600 en 1800 trokken ongeveer 400.000 personen vanuit de rest van de Republiek naar Holland. Zij vestigden zich hier om overwegend economische motieven, voornamelijk in de steden. De kansen op de arbeidsmarkt waren zeer divers en ook hadden zij veel gemakkelijker toegang tot de verschillende beroepen. In het oosten van de Republiek gold een veel exclusiever gildensysteem. Wie zich daardoor beknot voelde, emigreerde al snel naar een Zuid-Hollandse stad. Een minderheid vestigde zich hier om overwegend politiek-ideologische motieven.

Vrouwen en matrozen


Onder de arbeidsimmigranten uit de niet-Hollandse provincies waren vrouwen sterk oververtegenwoordigd. Deze dienstboden waren van plan te sparen voor hun toekomst. Ook soldaten en matrozen, alsmede rondtrekkende ambachtsknechten, waren op zoek naar betere kansen. Hun aantallen lagen voor de zeventiende en achttiende eeuw in de honderdduizenden. Voor een deel bleven ze in Zuid-Holland hangen en werden daarmee permanente immigranten.

Boeren uit Brabant en Zeeland


In de laatste decennia van de negentiende eeuw vestigden zich veel door de landbouwcrisis getroffen plattelanders uit Zeeland, Friesland en Groningen in Zuid-Holland en bouwden daar een nieuw bestaan op. Toch vormden de langeafstandsmigranten in Den Haag en Rotterdam maar een kleine minderheid. De meeste immigranten kwamen uit de randgemeenten en andere steden. Sommigen van hen waren van oorsprong plattelanders uit Noord- of Oost-Nederland of Zeeland. Zij hadden zich vaak eerst in het rivierengebied gevestigd, om vervolgens door te trekken naar Zuid-Holland.

Twintigste eeuw


Tussen 1880 en 1940 nam de Zuid-Hollandse bevolking jaarlijks met zes- tot zevenduizend personen toe. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vertrokken juist veel mensen uit het westen van ons land. In Zuid-Holland was het vertrekoverschot in de periode 1940-1945 ruim 124.000 personen. Na 1960 traden opnieuw grote vertrekoverschotten op. Veel Zuid-Hollanders vestigden zich toen in Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant.

Literatuur

  • Jan Lucassen, ’Holland, een open gewest. Immigratie en bevolkingsontwikkeling’, in Th. De Nijs en E. Beukers, Geschiedenis van Holland II. 1572 tot 1795 (Hilversum 2002) 181-215.
  • Jan Kok, ’Van achterblijver tot koploper. Bevolkingsgroei, gezondheid en gezin’, in idem IIIa. 1795-2000 (Hilversum 2003) 261-298.
  • Leo Lucassen, ’Herr Hagenbach en vele anderen. Migratie naar Holland na 1795’, in idem, 299-344.

Plaats een reactie


(Zonder naam wordt 'Anoniem' als afzender getoond)
(E-mailadres is niet zichtbaar op de site)

Bovenstaande tekst s.v.p. overtypen (anti-spam)

0 Reacties

x

Aanmelden



Wachtwoord vergeten?

Vul dan hieronder uw e-mailadres in. U ontvangt dan binnen enkele minuten een e-mail met instructies om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.


Registreren





Profielafbeelding toevoegen