De grootte van het gezin

Tot voor kort werd gedacht dat het ‘kerngezin’ zoals wij dat kennen – vader, moeder en enkele kinderen – een modern verschijnsel was. Vóór de negentiende eeuw zouden de huishoudens veel groter zijn geweest, met veel kinderen, ongetrouwde broers en zussen en inwonende grootouders. Voor Zuid-Holland gaat dat niet op.

Hoge kindersterfte

Boerenfamilie in Pijnacker (ca. 1900) Boerenfamilie in Pijnacker (ca. 1900)


Tot 1700 telde het gemiddelde stadsgezin in Zuid-Holland slechts een of twee (levende) kinderen, op het platteland twee. Dat kwam door een hoge kindersterfte als gevolg van ziekten en slechte hygiëne. Minder dan de helft van alle kinderen haalde de volwassen leeftijd. Daarnaast lijkt een zekere welvaart te hebben bijgedragen aan relatief kleine huishoudens. Sommige niet-gehuwden woonden weliswaar nog bij hun ouders of als kostganger elders, maar velen waren ook in staat eenpersoonshuishoudens te vormen, zeker als ze wat ouder waren.

Weinig inwonend personeel


Na 1700 leidde de hoge huwelijksleeftijd voor vrouwen tot een verdere daling van het toch al lage gemiddelde aantal kinderen per huwelijk, tussen drie en vier in Holland. De huishoudens kenden weinig inwonend personeel. Bovendien boden de gezinnen slechts zelden opvang aan bejaarde ouders of ongehuwde ooms en tantes. Vooral door de zelfstandige vestiging van echtparen hielden de Zuid-Hollandse huishoudens een geringe omvang. Zo telde de huisgezinnen in Zuid-Holland in 1829 gemiddeld 4,6 personen. De volkstelling van 1869 becijferde dat bijna 5 procent van de Zuid-Hollandse mannen en 4 procent van de vrouwen alleen woonde of in logementen, gestichten en dergelijke verbleef.

Onder druk


In de twintigste eeuw bleef het gezin de meest voorkomende samenlevingsvorm in Zuid-Holland. Maar vanaf de jaren zestig stond het wel onder druk, onder meer door de snelle groei van het aantal echtscheidingen. Dankzij betrouwbare anticonceptietechnieken daalde de vruchtbaarheid na 1965 snel. De toename van het aantal alleenstaanden was opmerkelijk, van 12 procent van alle huishouden in 1960 tot 32 procent in 1998. Aan het einde van de twintigste eeuw telde het Nederlandse huishouden gemiddeld ruim 3 personen. Zuid-Holland zat onder dit gemiddelde.

Literatuur

  • Jan Lucassen, ’Holland, een open gewest. Immigratie en bevolkingsontwikkeling’, in: Th. De Nijs en E. Beukers, Geschiedenis van Holland II. 1572 tot 1795 (Hilversum 2002) 181-215.
  • Jan Kok, ’Van achterblijver tot koploper. Bevolkingsgroei, gezondheid en gezin’, in idem IIIa. 1795-2000 (Hilversum 2003) 261-298.
  • Leo Lucassen, ’Herr Hagenbach en vele anderen. Migratie naar Holland na 1795’, in idem 299-344.

Plaats een reactie


(Zonder naam wordt 'Anoniem' als afzender getoond)
(E-mailadres is niet zichtbaar op de site)

Bovenstaande tekst s.v.p. overtypen (anti-spam)

0 Reacties

x

Aanmelden



Wachtwoord vergeten?

Vul dan hieronder uw e-mailadres in. U ontvangt dan binnen enkele minuten een e-mail met instructies om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.


Registreren





Profielafbeelding toevoegen