Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
De middeleeuwse (katholieke) Kerk kende vele feestdagen. Niet zelden werden zulke kerkelijke feesten vergezeld door allerlei wereldlijke bezigheden, zoals eten en drinken.
De Calvinistische Kerk, die door de Opstand de status kreeg van officiële Kerk, bande veel van deze feesten uit. Er bleven echter genoeg vormen van volksvermaak bestaan.
Eén van de oudste volksvermaken is de kermis (kerkmis), die oorspronkelijk werd gehouden op de feestdag van de plaatselijke patroonheilige. In de zeventiende en achttiende eeuw traden steeds meer toneelspelers, goochelaars, kwakzalvers en mensen met een buitengewoon uiterlijk op kermissen op. Ook verschenen toen de eerste mallemolens (draaimolens). Na de komst van de eerste stoomcarrousels in 1865 kwamen er steeds meer attracties. Een opvallende trekker was de kop-van-jut, genoemd naar de Haagse moordenaar Hendrik Jut.
Het circus verscheen rond het begin van de negentiende eeuw voor het eerst in Zuid-Holland. Veel van de curiositeiten die eerder op kermissen te zien waren, reisden nu mee met circussen. In de negentiende en twintigste eeuw vaardigden sommige gemeenten een verbod uit op kermissen, vanwege de ordeverstoringen. Naast de kermissen ontstonden allerlei andere jaarlijks feesten van nationale of lokale allure, zoals Koninginnedag of het Leidens Ontzet.
Kroegen en herbergen bestaan al sinds de middeleeuwen, cafés (oorspronkelijk koffiehuizen) verschenen voor het eerst in de zeventiende eeuw. De populaire ‘bruine kroeg’, oorspronkelijk een dranklokaal in de voorkamer van een woonhuis, ontstond in de vroege negentiende eeuw. Een recente vorm van volksvermaak zijn de attractieparken, zoals Madurodam en Drievliet in Den Haag, het Plaswijckpark in Rotterdam en Duinrell in Wassenaar.
0 Reacties