Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
De Hollandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw is wereldberoemd. Deze bekendheid dankt zij aan het bijzondere karakter en de kwaliteit van de kunstwerken, maar ook aan de enorme hoeveelheden waarin deze werden geproduceerd. De zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst, met haar verscheidenheid in formaten, prijsklassen en typen, kent in de Europese kunst van die tijd haar weerga niet.
De schilders zelf maakten destijds onderscheid tussen ‘extraordinare’ en ‘gemene’ schilders. Tot de laatste behoorden degenen die naamloos schilderijen produceerden. De extraordinare schilders waren zelfstandig gevestigde meesterschilders die met naam bekend waren.
Deze meesters kenden een zeer grote verscheidenheid, zowel in de techniek waarin zij werkten, als in de geschilderde thema’s. De bekendste extraordinare meester is Rembrandt van Rijn. Hij werd geboren in Leiden, begon daar zijn carrière, maar verhuisde al jong naar Amsterdam. In totaal vervaardigde hij ongeveer 600 schilderijen, 300 etsen en 2000 tekeningen. Naast een groot aantal zelfportretten, in totaal ongeveer 100, schilderde hij ook vele werken met Bijbelse thema’s. De eveneens in Leiden geboren Jan Steen (1626-1679) schilderde net als Rembrandt vele zelfportretten. Maar wellicht nog bekender zijn de levendige, chaotische huishoudelijke taferelen, die zo kenmerkend waren dat ‘een huishouden van Jan Steen’ een veelgebruikt gezegde is geworden.
De schilder Pieter de Hooch (1629-1684, geboren in Rotterdam en onder meer werkzaam in Delft en Den Haag) werd beïnvloed door zijn tijdgenoot Jan Steen. De geschilderde interieurs van De Hooch zijn echter altijd schoon en opgeruimd, in tegenstelling tot die van Steen. De Hooch wordt vaak in een adem genoemd met de Delftse meesterschilder Johannes Vermeer. Beiden schilderden regelmatig vrouwen die in huis bezig zijn. Vermeers vroegste werk omvat een paar schilderijen met religieuze en mythologische thema’s, maar zijn beroemdste werken verbeelden het burgerlijke leven op een intieme manier.
Tot de destijds allerduurste meesters behoorden de Leidse schilders Gerard Dou (1613-1675) en Frans van Mieris (1635-1681). Vanwege de ver doorgevoerde perfectie in de detaillering worden zij tot de ‘fijnschilders’ gerekend, een term die wordt gebruikt voor die Hollandse kunstschilders die streefden naar een zo natuurgetrouw mogelijke weergave van de werkelijkheid.
2 Reacties