Sociale zorg in Zuid-Hollandse steden

In de zestiende en zeventiende eeuw konden veel mensen niet in hun eigen levensonderhoud voorzien. Ze waren geheel of gedeeltelijk afhankelijk van giften en liefdadigheid.

Een prove voor de armen


Al in de middeleeuwen konden deze armen een beroep doen op de liefdadigheid van de Kerk, die onder andere aalmoezen uitdeelde. Naast de Kerk waren er ook particuliere weldoeners, die ‘proven’ (fondsen voor hulpbehoevenden) konden stichten. Rijke weldoeners stichtten bijvoorbeeld hofjes, bestaande uit kleine huisjes rond een binnentuin. De prove bestond uit het kosteloos bewonen van een huisje. Als tegenprestatie werd van de begunstigden verwacht dat ze zouden bidden voor de zielenrust van de weldoener. Armenzorg was een goede daad waarmee mensen boete konden doen voor zondig gedrag. Armen konden incidenteel ook terecht bij kloosters, die regelmatig voedsel uitdeelden. Gilden steunden hun leden in geval van armoede of ouderdom.

Gast- en weeshuizen

Testament (1522) Testament (1522)


Arme zieken die niet thuis konden worden verzorgd, kwamen naar een gasthuis, zoals het Schiedamse Sint-Jacobsgasthuis en het Leidse Katherijnegasthuis. Tegen betaling van een inkoopsom konden mensen in een gasthuis levenslang een eigen kamer krijgen. Het kapitaal dat werd opgebouwd door deze inkoopsommen en giften, stelde de gasthuizen in staat ook armen in het huis onderdak te geven. Iets duurder en chiquer dan de gasthuizen waren de proveniershuizen, ook wel oudemannen- en oudevrouwenhuizen.

De opkomst van de weeshuizen in de zestiende eeuw werd meer veroorzaakt door de norm dat armen niet mochten bedelen dan door het aantal arme wezen in de betreffende stad. In de stedelijke weeshuizen werden alleen wezen opgenomen waarvan de ouders het burgerrecht hadden bezeten. Daarnaast nam het weeshuis alleen die kinderen op die tot volledige zelfstandigheid opgeleid konden worden. In een enkel geval richtte een stadsbestuur, dat verantwoordelijk was voor de ondersteuning van alle plaatselijke armen, een weeshuis op waarin alle wezen konden worden opgenomen, zoals in Delft. Dit in 1579 opgerichte weeshuis bood onderdak aan zowel volle als halve wezen, verlaten kinderen en soldatenkinderen. Zij werden gevoed, gekleed, gehuisvest en kregen er onderwijs. Een wees verliet het weeshuis zodra hij of zij volledig zelfstandig was.

Literatuur

  • Marie-Christine Engels, Haagse gasthuizen door de eeuwen heen. Het Sint Nicolaasgasthuis, het Sacramentsgasthuis en het Oude Mannenhuis nader bekeken (Den Haag 2004).
  • S. Groenveld, J.J.H. Dekker en Th.R.M. Willemse, Wezen en boefjes. Zes eeuwen zorg in wees- en kinderhuizen (Hilversum 1997).
  • I. van der Vlis, Leven in armoede. Delftse bedeelden in de zeventiende eeuw (Amsterdam 2001).
  • C.W. van Voorst van Beest, De katholieke armenzorg te Rotterdam in de 17e en 18e eeuw (’s-Gravenhage 1955).

Plaats een reactie


(Zonder naam wordt 'Anoniem' als afzender getoond)
(E-mailadres is niet zichtbaar op de site)

Bovenstaande tekst s.v.p. overtypen (anti-spam)

0 Reacties

x

Aanmelden



Wachtwoord vergeten?

Vul dan hieronder uw e-mailadres in. U ontvangt dan binnen enkele minuten een e-mail met instructies om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.


Registreren





Profielafbeelding toevoegen