Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
De stedelijke ontwikkeling in Holland kwam pas laat op gang: in Vlaanderen gebeurde dat bijvoorbeeld veel eerder. Maar vanaf de dertiende eeuw begon het aantal plaatsen dat tot 'stedelijke' proporties groeide, te stijgen. Rond 1400 waren het er in Zuid-Holland al rond de 25.
De graven van Holland gaven de steden 'stadsrechten'. Dat was een bevestiging van de stedelijke status van een plaats, en gaf daarnaast een aantal rechten, bijvoorbeeld op het houden van een markt. Het betekende vaak ook dat een stad zich onafhankelijk van de graaf kon opstellen. Als tegenprestatie voor deze relatieve onafhankelijkheid eiste een graaf speciale belastingen of politieke steun. Het concept en de vorm van de stadsrechten waren vaak ontleend aan niet-Hollandse voorbeelden. Zo waren de Delftse stadsrechten gebaseerd op die van ’s-Hertogenbosch.
De eerste Hollandse stad die stadsrechten ontving was Geertruidenberg (1213), dat tegenwoordig in Noord-Brabant ligt. Kort daarop volgde Dordrecht (1220), dat overigens al in 1200 als ‘stad’ werd beschreven. Andere plaatsen volgden in de loop der tijd: Delft (1246), Leiden (1266), Gouda (1272), Schiedam (1275), Brielle (1330) en Rotterdam (1340). Sommige steden werden puur met een politiek doel gesticht, maar zo’n stichting leverde niet altijd een echte stad op. ’s-Gravenzande ontving bijvoorbeeld in 1246 stadsrechten, maar groeide nooit uit tot een stad van betekenis.
In de loop der tijd konden de steden steeds meer invloed uitoefenen. Ze waren vertegenwoordigd in de Staten van Holland (naast de adel en de geestelijkheid) en hadden door hun rijkdom veel invloed op de grafelijke financiën en daarmee de grafelijke politiek (met name de oorlogvoering). Ook kregen steden of hun invloedrijke burgers vaak grote delen van het platteland in handen en waren zij in staat daar hun macht te laten gelden. Onderling was er echter vaak onenigheid, bijvoorbeeld over handelskwesties.
0 Reacties