Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
Na de ‘Bataafse’ periode (1795-1806) en de Franse bezettingstijd (1806-1813) herrees Holland in 1815 als een provincie van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden.
De macht lag niet langer in handen van burgers en steden, maar in die van twee gouverneurs, die werden benoemd door de koning. In 1840 werd Holland gesplitst in twee aparte provincies: Noord-Holland en Zuid-Holland.
De politieke macht van de koning werd in 1848 ingeperkt. Maar een echte democratie was Nederland nog niet: dat duurde tot 1919 (toen alle volwassenen, mannen en vrouwen, mochten stemmen).
De negentiende eeuw stond in het teken van het herstel van handel en economie. De stoommachine deed zijn intrede en overal in Zuid-Holland legde men wegen, bruggen en kanalen aan. De steden, die sinds de Gouden Eeuw nauwelijks meer waren gegroeid, begonnen weer uit hun voegen te barsten. Aan het eind van de eeuw ontwikkelde de Rotterdamse haven zich tot toegangspoort tot het Duitse achterland.
Ook de rest van Zuid-Holland werd opgenomen in de wereldeconomie. De provincie ging steeds meer lijken op andere delen van Nederland. Met nostalgie keken de Hollanders terug naar hun trotse verleden, dat alleen nog bewaard zou zijn in vissersplaatsjes als Scheveningen en Katwijk, en in historische binnensteden als die van Delft en Gouda.
0 Reacties