Geschiedenis van Zuid-Holland de verhalen en de collecties
Kindertransport van Rijswijk naar Groningen van 9 maart 1945
Inleiding
In het najaar van 1944 was in het westen van Nederland de voedselsituatie al precair, maar
de vooruitzichten waren nog onrustbarender. De rantsoenen, die op de bonkaarten werden
verstrekt, werden steeds verder ingekrompen, totdat een punt was bereikt dat de
geschiedenis zou ingaan als “de Hongerwinter”. De Duitse blokkade van
voedseltransporten naar het dichtbevolkte westen van het land was een represaille geweest
van de bezetter voor de door de regering in Londen bevolen treinstaking. Daarmee werden de
levens van enkele miljoenen mensen op het spel gezet. Toen de blokkademaatregelen werden
versoepeld waren de voorraden nog maar gering en de aanvoer minimaal. Enerzijds
door een behoorlijk strenge winter die weg- en waterwegen moeilijk begaanbaar maakte
en gebrek aan voldoende goede transportmiddelen en anderzijds werd alle verkeer, zowel te
land als te water ernstig belemmerd vanwege beschietingen door de geallieerden, die heer
en meester waren in de lucht. De burgers, die in elke oorlog aan het kortste eind trekken,
werden ook nu weer de dupe. Het meest kwetsbare deel van de burgers werd gevormd door
de opgroeiende jeugd. Er werd door allerlei comités en instanties alles wat mogelijk was in
het werk gesteld om aan de kinderen zo nu en dan een extra maaltijd te verstekken om
de nood althans enigszins te lenigen. In die benarde tijd werd het IKB (Interkerkelijk Bureau)
opgericht onder zeer moeilijke omstandigheden in een ontwrichte maatschappij, waarin aan
alles gebrek was. Toch heeft het IKB kans gezien, geholpen door vrijwilligers, maaltijden te
verstrekken aan de meest behoeftigen, die op uiterst vindingrijke wijze werden
opgespoord. Daarnaast beijverde het zich kindertransporten te organiseren naar het
noorden en oosten van het land, waar de voedselsituatie gunstiger was. Binnen zeer korte
tijd heeft het IKB mogelijkheden gevonden om grote groepen kinderen te vervoeren. Meestal
per schip, maar ook per auto of bus. Via de kerken werden de ouders gewezen op de
mogelijkheid tot uitzending naar een pleeggezin. Een medische keuring moest de mate
van urgentie voor uitzending naar een pleeggezin vaststellen en in een verklaring van
de huisarts moest vermeld worden dat het kind niet leed aan kwalen of eigenschappen had
die onevenredig zware belasting voor het gastgezin zouden betekenen. Dan moest er ook
nog een gastgezin klaarstaan, als het kon van dezelfde levensbeschouwelijke richting als die
van het kind. Met een zeer onbetrouwbaar werkende post, zonder telefoon of welke andere
mogelijkheid ook een extra verzwaring van de taak van het IKB om de hongerende
doelgroep in het westen tijdig van de noodzakelijke berichten te voorzien. De berichten
werden daarom vaak rondgebracht door vrijwilligers, die als koerier dienstdeden.
Vrijdag 9 maart 1945
Al heel vroeg in de morgen van 9 maart 1945 werd er gebeld door een vrijwilliger van het
IKB die informeerde of Petrus Cornelis Hoogduin nog deel uitmaakte van het gezin.
Toen hem dat bevestigd werd deelde hij mede dat ik, want het ging
over mij, naar een pleeggezin in het noorden kon vertrekken die dag. Hij overhandigde een
stencil waarop het tijdstip van melding in Rijswijk stond, in het gebouw van Kuys Witsenburg
en wat in ieder geval meegebracht moest worden zoals een bewijs van inschrijving in
het ziekenfonds, bonkaarten, stamkaart met inlegvel, verder een deken, toiletspullen en
kleding. Het was de langverwachte oproep. Bij de keuring was gebleken dat ik 32 kilo woog.
Ik was behoorlijk lang en zat zeer beneden het gewicht van een ruim 12-jarige, wat op
ernstige ondervoeding wees. Ik kwam dus in aanmerking voor uitzending en op die
vrijdagmorgen zou het zijn beslag krijgen .Mijn vader ging onmiddellijk een brief
schrijven aan de nog onbekende pleegouders en sloot er vijfentwintig gulden bij in.
(Die kreeg ik bij vertrek later weer mee terug). Mijn moeder was direct begonnen met het
inpakken van mijn schamele bezit aan kleren. Een koffer hadden we niet meer en dus werd
mijn bagage in een doos gepakt, waarin ooit de luidspreker voor de radiodistributie was
geleverd. Die was altijd bewaard omdat ze nog wel eens van pas kon komen. Er ging een
touw omheen als afsluiting. Ik moest nog op het nippertje naar de kapper en mijn schoenen
gaan halen, die voor reparatie bij de schoenmaker waren. Ze waren al enkele weken
tevoren met een schoenreparatiebon ingeleverd, maar moesten toch nog gemaakt worden,
Ik kon er daar gelukkig op wachten. Toen ging ik, na het afscheid van de twee
achterblijvende broers en mijn vader met mijn moeder naar Rijswijk, over de Rijswijkseweg
en de Haagweg naar Kuys Witsenburg. In Kuys Witsenburg vonden de administratieve
handelingen plaats en de overdracht van de vereiste documenten zoals de genoemde
bonkaarten, stamkaart en ziekenfondsinschrijvingsbewijs. De premie betaalden ze thuis
gewoon door en ik kon in Groningen gebruik maken van medische zorg als dat nodig was.
Mijn naam werd op een lijst gezet en ik kreeg een label met een nummer en de naam “Vego”,
wat de naam van het schip was, dat ons naar Groningen zou brengen. Dat label moest ik
zichtbaar dragen. Daarna moesten we in een zaal wachten op vertrek. Dat duurde erg lang.
Mijn moeder mocht als begeleidende ouder ook nog bij mij blijven. Op zeker moment kwam
er iemand zeggen dat er een soepmaaltijd werd verstrekt in hotel Leeuwendaal,
(zowel Hotel Leeuwendaal als Kuys Witsenburg bestaan niet meer) schuin aan de overkant
van de Haagweg gelegen, alleen aan de kinderen die een label hadden. Toen ontstond er
verwarring omdat er zich ook kinderen meldden met een lepel maar die geen label hadden.
Er bleven toen ook kinderen weg, die wel een label hadden maar geen lepel. Het
misverstand werd uit de wereld geholpen door de transportleider, de heer van der Meer,
over wie later meer, die op een verhoging ging staan en het verschil tussen een
label en een lepel verduidelijkte. De kinderen met een label gingen naar de overkant om
soep te gaan eten. Geschat waren het 100 jongens en meisjes van tussen de acht en vijftien
jaar, de omstreeks 12-jarigen waren het ruimst vertegenwoordigd. Omstreeks twee uur
moest de zaal van Kuys Witsenburg ontruimd worden omdat die op dat tijdstip was
verhuurd aan een ander gezelschap. Er werd toen verder gewacht op vertrek in hotel
Leeuwendaal. Mijn moeder was intussen afgelost door mijn vader, die van zijn werk thuis
was gekomen. De organisatie moest alle gegevens van de kinderen verwerken en dat
duurde lang voor de kinderen en hun ouders. Tegen het vallen van de duisternis togen
kinderen en ouders op weg over de Geestbrugweg in Rijswijk naar de rijnaak de
“Vego”, die aan de Geestbrugkade lag, tegenover de wasserij “De Zwitserse”, die nu niet
meer bestaat. Na het afscheid nemen van de ouders op de kade mochten we naar het schip
toe. Mijn vader zei toen de gedenkwaardige woorden: “Jij bent misschien de enige van ons
die dit overleeft”. Het lijkt wat dramatisch, maar met de ogen van nu vind ik dat hij het in
alle eenvoud raak gezegd had. Er werd een laatste controle uitgevoerd: ze keken naar het
nummer op het label en ze vroegen je naam, die ze vergeleken met de naam op de lijst en
je mocht over een loopplank aan boord en via een laddertje naar beneden in het ruim.
In het ruim was aan weerszijden stro gelegd waarop de kinderen moesten verblijven
gedurende de hele reis. In het midden van het ruim bevond zich een verstevigingconstructie
die het ruim in tweeën deelde zodat de jongens en de meisjes van elkaar gescheiden waren.
Het ruim werd verlicht door vier of vijf fietslampjes, die op een accu waren aangesloten.
Het werd dus spaarzaam verlicht. Naar onze ouders hadden we nog op het laddertje voor
de laatste maal kunnen zwaaien. Die zagen we niet meer. Toen we allemaal aan boord waren
gingen de luiken dicht en toen was er voor ieder belegd maar niet besmeerd brood. We
mochten nog wat op blijven, maar daarna ging het licht uit. Intussen was de boot gaan
varen en zette koers naar Amsterdam. Het slapen lukte niet erg, het was een vreemde
omgeving en de schipper liep, met zijn klompen aan zijn voeten telkens heen en weer in het
gangboord. Dat deed hij niet bepaald geruisloos. Uiteindelijk, door vermoeidheid toch in
slaap gevallen, werd ik wakker en ook menig andere toen er twee luiken opzij werden
geschoven. We bleken aan een kade te liggen en de jongens die via de open luiken naar
de gevels van de huizen aan de kade konden kijkenmeldden dat er pakhuizen
met leeuwenkoppen aan de gevel te zien waren. Er werden emmertjes
water geput uit de gracht en wij kregen opdracht ons te wassen. Dat was geen overbodige
luxe, want het ademen van zoveel kinderen in een afgesloten ruimte veroorzaakte een vochtige
atmosfeer, die neersloeg tegen de binnenzijde van de ijzeren romp van het schip. Van tijd tot tijd
vormden zich daarop druppels die naar beneden vielen en soms op je gezicht terecht kwamen.
Menig passagier zat onder de bruine roestvlekken in zijn gezicht. Omdat het water niet na
elke bader werd vervangen was dat geen belangrijke bijdrage aan de hygiëne maar
de roestplekken verdwenen wel. Voor het toiletbezoek waren er twee latrine-emmers met een
houten deksel afgeschermd door een jutegordijn achter in een hoek. We kregen weer brood als
ontbijt maar niets te drinken. We hadden trouwens geen drinkgerei. Het bleek dat het de
bedoeling was geweest om niet in Amsterdam af te meren, maar rechtstreeks naar het
IJsselmeer door te varen en dan verder in konvooi met enkele andere schepen zo vroeg mogelijk
naar Lemmer over te steken, zodat we zaterdagavond al in Groningen zouden zijn. We
kregen allemaal te horen dat we moesten gaan zitten, want de transportleider zou ons het
een en ander vertellen. Zijn naam was van der Meer, maar we moesten hem tijdens de reis
aanspreken met “Leider” en de dames die tijdens het transport voor onze verzorging
aanwezig waren met “zuster”. Het stro moest elke morgen naar de kant geschoven worden
zodat er een ruim middenpad ontstond en er mocht niet door het stro gelopen worden om
geen stof te veroorzaken. Er zou deze dag niet meer gevaren worden want de Duitsers hadden
de sleepboot, die ons naar Lemmer zou brengen, gevorderd om andere werkzaamheden te laten
uitvoeren. Hij verbood ons ten strengste van boord te gaan en als dat toch zou gebeuren
dan werd je teruggestuurd naar huis. Tenslotte werden alle jongens gecontroleerd of ze
zich wel goed gewassen hadden. Omdat de reis nu minstens een dag langer duurde moest er
voor extra eten gezorgd worden voor 100 kinderen. Een hele opgave in Amsterdam anno 1945,
want ook daar heerste honger. Het is hem gelukt. Na enige tijd werd er in zinken emmers,
die wij direct herkenden als vuilnisemmers, warm eten voor de kinderen en de leiding gebracht.
Nu deed zich de moeilijkheid voor dat er ook geen borden en bestek aan boord waren in
voldoende mate. De Leider ging in de buurt van onze ligplaats vragen bij bewoners om wat lepels
en borden te mogen lenen. Hij kwam met wat servieswerk terug zodat we om de beurt konden
eten. Dat moest snel gebeuren. Anders koelde het eten te veel af, want het waren
tenslotte geen dubbelwandige gamellen. Telkens als er een paar gegeten hadden moesten de
gebruikte borden en lepels gauw worden afgewassen in het grachtwater, het verliep dus
primitief maar iedereen kreeg te eten. De eerste dag was het nogal dunne rodekoolstamppot,
die zonder bezwaar met een lepel kon worden gegeten.
Zondag 11 maart 1945
De Leider zou de Leider niet zijn als hij niet even was gaan informeren naar plaats en
aanvangstijd van kerkdiensten voor alle geloofsrichtingen, waarvan er belijders aan boord
waren. Ieder ging onder leiding van een der zusters naar zijn kerk. De niet godsdienstig
georiënteerden, die de Leider als “neutralen” aanduidde, moesten aan boord blijven.
Bij terugkeer werd er weer geteld of het aantal klopte met zijn telling bij vertrek naar de kerk.
Het eten ging weer als de vorige dag. ’s Middags gingen de Leider en de zusters met ons een
wandeling maken door Amsterdam. De Leider kende Amsterdam zeer goed. De Dam, het paleis en
de grachten, hij legde ons alles uit. Vervelend was dat we hand in hand moesten lopen. Ik vond
dat ik met mijn 12 jaar daar te oud voor was, maar hij zag erop toe dat zijn bepalingen werden
nageleefd. We kwamen ook door een straat, waar vrij openlijk ruilhandel werd bedreven door
mensen die hun ruilwaar op een soort presenteerblad voor zich hielden. Op zeker moment
liepen we ook daar in de buurt door een straat waar een winkel open was die het
enige zonder bon verkrijgbare te koop had dat eetbaar was. Namelijk het in de oorlog bekende
“opklop” voor een kwartje, dat was van het kookvocht van suikerbieten en het een of andere
poeder tot een slagroomachtige substantie gemaakt door er lucht in te brengen. De
voedingswaarde was vrijwel nihil, het stelde niet meer voor dan vulling. Toch stond er alras
een flink aantal kinderen in de winkel, dat de “opklop” wilde kopen. Ik stond er ook tussen, maar
voor ik aan de beurt was kwam de Leider binnen en beval ons op strenge toon terug te gaan
naar de rij, waar wij nog eens een flinke uitbrander kregen. Toen we de richting van de boot
weer insloegen begonnen er eerst enkele meisjes te klagen dat ze zo nodig naar de wc moesten
en omdat het nog wel even kon duren voor we weer terug zouden zijn, belde de Leider bij
meerdere huizen aan, want ze moesten nu ineens bijna allemaal. Het werd als vanzelfsprekend
toegestaan van de toiletten gebruik te maken. De Leider telde wel consequent de kinderen die
hij uit het oog verloor om te voorkomen dat er een achterbleef of dat er een blinde passagier
mee zou lopen. Hij nam zijn taak voortdurend zeer serieus. De Leider vertelde toen als een
ervaren stadsgids waarom er langs de trapleuningen in die huizen een mandje aan een touw hing.
Dat was om bij bezorging aan de deur het geld voor de boodschappen in het mandje te doen en
de koopwaar in het mandje omhoog te halen wat trappen op- en aflopen bespaarde. Toen
iedereen zijn toiletbezoek had beëindigd ging de Leider de bewoners bedanken. Eindelijk
terug op de boot waren we doodmoe van de wandeling.
Maandag 12, dinsdag 13, woensdag 14 en donderdag 15 maart 1945.
Op die dagen werd er ook niet gevaren. De jongens, die bij het openen van het luik
de gevels konden zien riepen telkens dat ze nog leeuwenkoppen zagen. Er was weinig vertier
mogelijk gedurende die dagen zodat ze heel lang duurden. De Leider probeerde wel wat spelletjes met
ons te doen maar dat lukte niet erg want het stro maakte veel stof en er was daarom brandgevaar. Hij
telde toen vragen op welke school je zat en wat je later wilde worden om ons maar bezig te houden. Er
was geen boek om te lezen en er was geen speelgoed. De hygiënische toestand begon ook
snel achteruit te gaan. De latrine-emmers werden in dezelfde gracht geleegd waaruit het
water werd geput voor de afwas van het eetgerei. Er ontstond buikloop. Een jongen die zich had
bevuild door die buikloop moest worden afgewassen in de min of meer schimmige schemer.
Hij werd in een deken gewikkeld weggevoerd. Wat een andere jongen de opmerking ontlokte:
“’t Lijkt wel Robot Volta”! Daarmee was zijn bijnaam gemaakt. Er ontstonden meer
bijnamen. De “doofstomme”, voor een jongen die werkelijk die handicap had, maar goed kon
liplezen; de “Oudkatholieken” , twee broertjes, die gewoon een kruisteken maakten,
maar die zondag niet mee gingen naar de kerk, wat tot nadere uitleg noopte. Er was een jongen
die blijkbaar iets aan de hoofdhuid had gehad en daardoor zijn haar had verloren wat de
voor de hand liggende bijnaam “kale” opleverde. Nog twee broertjes, die de “Joeien” werden
genoemd. Een aanduiding voor Scheveningers die in Den Haag niet ongebruikelijk was. De “R”
voor een jongen die de “r” heel erg rollend uitsprak, de “klot” voor een jongen met een
alpinomuts en de “paardenkop”, want de Leider zei een keer tegen hem “heb jij altijd van die
lange haren, ’t lijken wel paardenmanen”. Een erg zielig geval was “eenzesennegentig”. Een
jongen die tijdens het wachten in Hotel Leeuwendaal al bijna iedereen had verteld dat
hij een meter zesennegentig lang was en als bewijs dat hij niet opschepte er bij opstond. Hij
was erg groot uitgegroeid, maar zijn kleren waren uiteraard klein gebleven en in die tijd was
even een grotere maat aanschaffen een illusie. Hij zag er daardoor nogal bijzonder uit en de
eerste dag de beste werd hij zo ziek, dat hij bij de schipper in de kajuit de hele reis ziek in bed
heeft gelegen. Door al die ziekteverschijnselen liet de Leider een dokter komen, die iedereen
vroeg hoe hij zich voelde. De “R” begon, toen de dokter bij hem was gekomen omstandig een
schoen uit te trekken en wees op een plek, die hem erg pijn deed. Op de vraag hoelang hij daar
al last van had zei de “R” “al een paar jaar”. De dokter keek hem vernietigend aan en zei: “Je
bent een kwast”. De arts gaf als dat nodig was voor de echte patiënten wat tabletjes en adviezen
op hygiënisch gebied.
Vrijdag 16 maart 1945
Al heel vroeg voor het licht werd en de luiken nog gesloten bleven voelden we dat de boot
ging varen. De schipper liep bedrijvig heen en weer in het gangboord op zijn klompen. Eindelijk
verlieten we Amsterdam. Toen we eenmaal voeren werd een der luiken geopend en nam een
der jongens het initiatief de ladder op te zetten en via het open luik naar buiten te kijken. Hij
deed er verslag van waar we waren. Er was in het vroege morgenuur nog niet veel te zien, maar
volgens onze verspieder waren we op weg naar het IJsselmeer. Dat werd ons later bevestigd
door de Leider, die in het ruim kwam vertellen dat we vanavond in Groningen zouden zijn. We
waren nu aan de oversteek naar Lemmer bezig. Hij had met de schipper afgesproken dat we
na het eten, als het eenmaal licht was, op het dek mochten gaan zitten, maar niet
rondlopen in de gangboorden. Een verademing, want we zagen nu eindelijk eens wat
anders dan de binnenkant van het ruim, waarin we nu al een week vertoefden. Maar de pret was
van beperkte duur. De schipper had namelijk een winkelhaak ontdekt in een van de zware
stukken zeildoek, die over de dekluiken gespannen waren. Vermoedelijk veroorzaakt door
het ijzeren zoolbeslag van de schoenen van een der jongens. De Leider inspecteerde meteen de
schoenen van de jongens omdat er in die tijd wegens ledergebrek vaak schoenzolen mee
beslagen werden. Er kwam geen duidelijke dader aan het licht. De schipper uitte zich in
krachttermen, waarover hij in ruime mate beschikte, dat hadden we in de voorafgaande dagen
al bemerkt. Hij ontzag daarbij niets en niemand. De Leider wist een compromis te bereiken door
de schipper te vragen aan dek te mogen verblijven zonder schoenen aan. Dat werd dan
toegestaan door de schipper. Opnieuw werd zijn wrevel opgewekt nu door een der zusters. Zij
wilde even een emmertje water putten en vanaf een varend schip is daar enige behendigheid
voor vereist, die zij ontbeerde. De weerstand van het emmertje was groter dan zij had verwacht
en het touw glipte uit haar handen. Kennelijk had de schipper haar al gadegeslagen want hij
kwam tierend naderbij door het gangboord en wist met een bootshaak het emmertje nog aan
boord te krijgen. Hij overlaadde haar met een aantal niet mis te verstane karakteristieken
waarvan “verdomde landrotten” een zeer onschuldig onderdeel was. De jongens gniffelden om
dit voorval met de zuster. Toen ze het emmertje uiteindelijk vol had met water ging ze de
borden en lepels afwassen die de bewoners van Amsterdam ons transport zo vrijgevig hadden
afgestaan. Het was aanzienlijk schoner water dan tot nog toe ervoor was gebruikt. Ze dacht
ermee klaar te zijn en keerde het emmertje buiten boord leeg en tot ieders heimelijk vermaak
verdwenen ook een bord en een paar lepels in het water. De schipper uitte zich weer in termen
die nauwelijks onderdeden voor de eerdere reeks. Diezelfde zuster, een al wat oudere
vrouw, had enkele dagen tevoren ook al kennisgemaakt met een uitbarsting van de schipper.
Ze zat in het jongensgedeelte van de boot tijdens de nachtwake te lezen bij het licht van een
kaars aan een klein tafeltje, waarop dagelijks de mand met brood werd neergezet bij de uitdeling.
Hoe zij aan die kaars kwam.……? De schipper, als immer zeer waakzaam, had het licht ontdekt
en verscheen in het ruim. Hij vroeg haar hoe ze het in haar hoofd haalde met zoveel kinderen
en droog zeer brandbaar stro een kaars aan te steken. Hij beval haar onmiddellijk de kaars te
doven. Ook deze reprimande ging vergezeld van een groot aantal krachttermen die vanwege
de luide toon waarop de schipper sprak ook aan de jongens niet was ontgaan. Het was de
andere morgen het gesprek van de dag. De rust aan dek keerde weer terug en de Leider wees
ons na enige tijd erop dat in de verte de Friese kunst zichtbaar werd. Voor we echter daar
aankwamen hadden we alweer onze plaats in het ruim moeten innemen, want het
manoeuvreren in de haven van Lemmer, dat iedereen daar De Lemmer noemde, vereiste veel
armslag voor de schipper en zijn licht ontvlambaarheid kennende gaf de Leider direct gehoor
aan zijn verzoek. Toen we afgemeerd waren mochten we weer kijken aan dek en we zagen de
Leider weggaan om, naar later bleek, een verse warme maaltijd te gaan regelen. Ook het
vertier in de haven was een leuke afwisseling, want er was niet veel vaart op het IJsselmeer en
veel meer dan water was er niet te zien geweest. Na afwikkeling van de havenformaliteiten
werd er weer vertrokken zonder de terugkeer van de Leider af te wachten. Maar toen het
schip in Grouw aankwam, geschat een 25 km verder, stond hij reeds op de kade te wachten
en zodra hij aan boord was kregen we te horen dat er een warme maaltijd geserveerd zou
worden in een vlakbij gelegen restaurant, dat blijkbaar kans had gezien voor een gezelschap als
het onze even een warme maaltijd gereed te maken. Het bleek baggervette stamppot van
peen en stukjes vlees te zijn. En dat allemaal van een eigen bord. De overtuiging dat we in
Luilekkerland waren aangekomen won veld. Weer werden we bij het van boord gaan geteld en in
groepjes naar het restaurant gebracht. Ja, de Leider zou zijn rol tot het einde zeer
consciëntieus blijven vervullen. Hij is in mijn herinnering een man met superieure
kwaliteiten voor de verantwoordelijke taak die hij op zich had genomen .Zoals te verwachten
was bleek bij alle jongens en meisjes dat hun ogen groter waren dan hun maag, want na een
eerste bord te hebben leeggegeten lieten de meesten nog een tweede keer opscheppen, een
weelde die we nog van vroeger kenden. Maar al gauw bleek dat toch te veel te zijn geweest
en werden de borden niet leeggegeten. Dat gaf de Leider aanleiding met luide stem te roepen:
“Jongens, we gaan hier toch niet klieken?”, want het gangbare burgerfatsoen van toen schreef
voor dat je je bord leegat. Toen we weer aan boord waren voeren we rechtstreeks naar
Groningen door de Friese en Groningse binnenwateren. Er werd gezwaaid naar iedereen die
we op de wal zagen en soms werd er gevraagd waar we nu waren. Doordat er meer vertier
was tijdens het laatste deel van de tocht ging de tijd vlug voorbij en tenslotte moesten we door
het invallend duister benedendeks de aankomst in Groningen afwachten. Er waren nog enkele
kinderen die ziek geworden waren van het eten omdat hun magen het niet meer gewend
waren. Het was al flink donker toen we in Groningen ontscheept werden en naar gebouw
“De Harmonie” in de Poststraat moesten lopen. Daar was het wachten op vrijwilligers, die
ons naar de verschillende pleegouders moesten brengen. De reis van zeven dagen was ten einde.
Vrijdagavond 16 maart 1945.
De aankomst bij mijn pleeggezin.
Ik kwam in een donker huis binnen in de Alexanderstraat waar ik niets of niemand kon
onderscheiden. Er brandde een carbidlantaarn met een klein dun vlammetje daar spaarzaam
licht verspreidde en grote schaduwen op het behang wierp. Ik hoorde wel vriendelijke stemmen,
die naar mijn reis vroegen, maar er werd soms Gronings gesproken en dat verstond ik toen
nog niet. De pleegmoeder veronderstelde dat ik wel erg veel honger zou hebben, maar de
maaltijd van die middag lag mij nog zwaar op de maag zodat ik daarvoor bedankte. Na nog
even gezeten te hebben en wat vragen te hebben beantwoord over de situatie in Den Haag,
mijn ouders en nog wat bijzonderheden over de oorlog, vond men dat het tijd werd voor
mij om te gaan rusten. Ik werd naar mijn kamer gebracht waar rust en stilte heerste en een
heerlijk zacht en schoon bed op mij wachtte. Erg veel was er niet van te zien in die duisternis die
door een klein kaarsvlammetje nauwelijks werd verdreven Eenmaal in bed gelegen
voelde ik een hemelsbreed verschil met de ervaring in de voorafgaande week. Ik mocht
zolang slapen als ik wilde. Normaal heerste er orde en regel in het gezin en verscheen
´s morgens iedereen gewassen en gekleed aan het ontbijt. Maar voor mij werd deze uitzondering
gemaakt. Ook op andere punten werd alles in het werk gesteld om mij mijn verblijf zo
aangenaam mogelijk te maken zodat ik mij er spoedig zou thuis voelen. Er werd volstrekt
geen verschil gemaakt tussen de eigen kinderen en mij.
Mijn verblijf in Groningen.
Toen ik was opgestaan stond er een ontbijt voor mij klaar en moest ik een brief naar huis
schrijven om te melden dat ik aangekomen was en op welk adres ik woonde en de naam van het
pleeggezin. De pleegmoeder voegde er ook nog een brief namens het gezin bij en de brief werd
verzonden en is thuis aangekomen. De post was toen heel onberekenbaar. De post van thuis
kwam maar mondjesmaat binnen. Nu eens twee brieven kort achter elkaar en dan weer meer
dan een week niets. Ik zag eindelijk de mensen, bij wie ik in huis was bij daglicht en er werd
nogmaals van iedereen gezegd hoe hij of zij heette. Er werd ook voorgesteld dat ik tegen de
pleegouders oom en tante zou zeggen. Verder waren er in het gezin nog een dochter van toen
16 jaar en een zoon van 14. Ik heb het er erg goed gehad tijdens mijn verblijf. En, zoals gezegd,
al vrij snel na mijn aankomst voelde ik mij er thuis. Met de zoon van het gezin, Herman, ging ik
in de loop van de morgen mee zijn vrienden opzoeken. Ik maakte kennis met een aantal
Groningse jongens, die allemaal de gebruikelijke streektaal spraken. De moeder van een van die
jongens bood mij een oliekoek aan, die ze net gebakken had en die uitstekend smaakte.
Toen ze zag met hoeveel graagte ik die opat, bood zij mij nog een tweede aan. Omdat aan mij
was te zien dat ik geruime tijd te weinig had kunnen eten, werd er in het begin vaak iets te eten
aangeboden. Begrijpelijk en goed bedoeld, maar niet in het belang van mijn gezondheid. In de
zaterdagnacht deden de gevolgen van de in Grouw genoten maaltijd en alles wat mij zo
nu en dan was toegestopt zich gelden. Darmstoornis. Het was de pleegouders niet ontgaan,
want ik was een aantal keren in het stikdonkere huis naar de wc gegaan en al spoedig kwam
“tante” mij vragen of ik soms ziek was. Toen er geïnformeerd werd wat ik gegeten had somde ik
op wat ik de voorafgaande dag had gegeten buiten wat mij “thuis” voorgezet was en dat was
reden om de dokter te laten komen. Behalve de ingewandsstoornis had ik ook ernstige
bloedarmoede, waarvoor ik staalpillen kreeg voorgeschreven en verder een dieet van
geroosterd brood en “soep’nbrieje” zoals de dokter zei, wat door mij verkeerd werd begrepen
als soep maar later gewoon karnemelkspap bleek te zijn. Ik moest bedrust houden en heb
veertien dagen in bed gelegen. Maar toen was ik zover opgeknapt dat ik de school kon gaan
bezoeken zodra de paasvakantie om was. Toen in september 1944 in Den Haag het nieuwe
schooljaar was begonnen ging ik naar de zesde klas. Op 15 oktober diende er gestookt te
worden in de onderwijsinrichtingen, maar de toewijzing van kolen voor de verwarming was zo
gering geweest, dat de schoolleiding besloot om de toewijzing voor de jongensschool, die ik
bezocht samen te voegen met die van de meisjesschool. We zouden dan samen van die school
gebruik maken. De ene week de jongens ’s morgens en de meisjes ’s middags en de andere
week andersom. Dat is goed gegaan tot er vervroegde kerstvakantie werd gegeven na de
St. Nicolaasviering. Die kerstvakantie werd telkens met veertien dagen verlengd. Bij mijn vertrek
uit den Haag was het onderwijs nog niet hervat. Ik had dus erg weinig onderwijs genoten en
omdat ik vreesde dat ik niet goed mee zou kunnen komen en ik tenslotte in Groningen was om
aan te sterken en gezond te worden trok ik de stoute schoenen aan en zei dat ik in de vijfde klas
had gezeten in den Haag. Het werd voetstoots aangenomen en ik werd daar geplaatst, ook
weer voor halve dagen, want dáár hadden de Duitsers een aantal scholen gevorderd om er hun
manschappen in onder te brengen. Ik kon in die vijfde klas uitstekend meekomen. Ik beschikte
over een zee van vrije tijd die ik vulde met Herman en zijn vrienden, die erop uit gingen en de weg
goed wisten. In het pleeggezin werden kort na mijn aankomst ook nog twee baby’s, een
tweeling uit Amsterdam opgenomen, van enkele maanden oud die extra veel zorg eisten. De
berichten over de stand van de oorlog, die ons bereikten wezen steeds meer op de nadering van
de bevrijding. Begin april gonsde het van de geruchten en het gedrag van de Duitsers
duidde ook op een verhoogde waakzaamheid. Het gerommel van geschut, dat al een paar dagen
hoorbaar was werd sterker. Iedereen was nu ervan overtuigd, de bevrijding was nabij. De strijd
om Groningen begon op vrijdag 13 april 1945 en duurde tot maandag 16 april 1945. Het
bezettingsleger bestond uit erg fanatieke eenheden die niet van plan waren de stad zomaar over
te geven aan de Canadezen. Vermoedelijk omdat de terugtocht naar Duitsland niet meer
mogelijk was wilden ze zolang mogelijk stand houden. Er werd verbeten om elke straat en elk
huis gevochten. Het werden angstige dagen en nachten met veel geschut en geweervuur.
Het was niet raadzaam om op straat te lopen. Van slapen kwam niet veel terecht. Maar soms
nam de slaap de overhand en dutte ik in. Dan klonk er weer een hevige knal en glasgerinkel. En
omdat je niet kon zien waar er wat gebeurde nam de onrust verder toe. Oom en tante maakten
vluchtkoffers gereed en hingen tapijten voor een raam in een kamer, waar we allemaal voor
de veiligheid moesten slapen. Dat tapijt zou heel goed scherven van ontploffende projectielen
tegenhouden. Dit soort adviezen wisselden de buren met elkaar uit. Ik herinner mij eenzelfde
soort adviezen tijdens de meidagen van 1940, toen iedereen plakband op de ruiten ging
plakken omdat daarmee het breken van het glas werd voorkomen. Dat was toen allerminst
afdoende gebleken. Daarna werd geadviseerd de ramen open te zetten om de onderdruk
die bij een ontploffing buiten ontstond op te vangen. Gelukkig is de niet waarschijnlijke
bescherming die het tapijt had moeten bieden nooit in de praktijk als onjuist ervaren. Ook
de vluchtkoffers bleken overbodig maar waren zeker niet een onjuiste maatregel. De zinloze
weerstand werd uiteindelijk gebroken doordat er geen verweer tegen de voortdurende
granatenregen van de Canadezen was. Er lagen veel straten in puin en op verschillende
plaatsen stonden huizen en gebouwen in brand. Op maandagmiddag werd het eindelijk stil en
waagden enkele dapperen zich op straat. Het werd steeds drukker op straat en in een onbewaakt
ogenblik zag ik kans mij aan de waakzaamheid van tante en oom te onttrekken en ongemerkt in
de menigte op te gaan die zich richting Oosterweg begaf. Er werd nog gevochten, maar aan beide
zijden van die straat stonden rijen dik mensen die telkens een gejuich lieten horen en toen ik
naderbij was gekomen zag ik dat het voor soldaten was in vreemde uniformen, maar veel
mooier dan die van de Duitsers. Dat waren de Canadezen, die iedereen toen voor het gemak
nog Tommy’s noemde. Ze werden behalve met gejuich ook met “Hello boys” begroet, want
meer Engels kenden de enthousiaste mensen in de menigte blijkbaar niet. Er werden ook gebaren
gemaakt die de behoefte aan een sigaret uitbeeldden en soms wierp er een een
aangebroken doosje sigaretten in het publiek waarbij een groot gedrang ontstond om de
begeerde waar te bemachtigen. Er werd door vrouwen ook wel om ”tsjoklat“ geroepen maar
dat heb ik niet zien honoreren. Het was ter hoogte van de Sophiastraat, waar telkens een soldaat
uitkwam om de Oosterweg op te gaan. Enkele soldaten gebaarden naar de menigte om weg te
gaan vanwege het gevaar, maar niemand maakte aanstalten. Er kwam een brencarrier
aangereden waarop een zware mitrailleur stond. Er zaten twee soldaten in die niet eens helmen
droegen maar baretten met een pompoen erop. Er kwam een man, die Engels sprak met de
Canadezen en zei dat er Duitsers zaten in de kerk, die op de hoek van de Radesingel stond en
net vanuit de Oosterweg was te zien. De soldaat legde er even een bundel vuur op met
de mitrailleur, waardoor de ramen aan de zijkant van de kerk werden beschadigd, maar
Duitsers kwamen er niet uit. Omdat ik die kerk regelmatig bezocht leek het ook niet zo
waarschijnlijk, want de kerk was steeds normaal gebruikt. Het werd even stil in de straat,
want dat vuren maakte een enorme herrie. Op de Oosterweg was ook een bureau van een krant
gevestigd en wat misschien maar weinigen wisten was dat daar blijkbaar in de oorlog het
illegale blad “De Waarheid” was gedrukt. De man die daar dat bureau had stak een vlag uit. Het
was een rode vlag die in een punt toeliep en waarin in wit een hamer en een sikkel waren
aangebracht. Er ging een gejuich op. Kort daarna had hij op de ruit ook nog een flinke strook
papier geplakt waarop ook “De Waarheid” was te lezen. Erg dapper, want er was nog steeds
geen sprake van capitulatie van het Duitse garnizoen. Onze bevrijders trokken verder
richting centrum, ik durfde niet verder te gaan en ging naar huis terug. Onderweg waren
enkele Groningers bezig hun woede tegen de moffen te koelen op een verlaten Duitse
vrachtauto. Met stenen en een hamer sloegen ze deuken in de auto en uitten zich daarbij op een
wijze die geen twijfel overliet aan hun diepste haat tegen de voormalige bezetter. Er kwam
een man aan met een zwarte helm op en een geweer en beval hun ermee op te houden. “Wij
hebben die auto hard nodig voor de opbouw” riep hij, waarmee hij bijval kreeg van de
toeschouwers, zodat de mannen die zonder hun leven op het spel te zetten zo ijverig die Duitse
auto hadden gehavend, afdropen. Onderweg zag ik spaarzaam zo hier en daar ook een
rood-wit-blauwe vlag verschijnen. Weer terug bij het pleeggezin sloot ik mij weer onopvallend
aan bij de in de straat met elkaar pratende buren, die hun visie op de situatie uitwisselden. De
angst die tijdens de belegering had geheerst maakte al snel plaats voor een blij ontspannen
gevoel want die dag, die we met zoveel ongeduld hadden tegemoet gezien was dan eindelijk
gekomen. De bevrijding. De bevrijding kwam voor een makker uit onze klas te laat. Hij
was tijdens de gevechten om de stad geraakt door een scherf en gedood. Zijn uitvaart vond
plaats uit de nu bisschoppelijke kerk aan de Radesingel, die ik onder vuur had zien nemen. Wij,
de jongens van zijn klas, verzamelden ons bij de kerk. Aan de Radesingel stonden grote
herenhuizen waarin de Duitsers bureaus hadden gehad. Die huizen waren nu verzegeld. Toch
hadden enkele van onze klasgenoten kans gezien in die huizen binnen te dringen. Er was niets
van hun gading te vinden geweest behalve een rood stempelkussen. Toen ze dat als een
buit lieten zien probeerden ze je een veeg in je gezicht te geven. Er werd flink geravot en het
eind van het lied was dat we allemaal onder de grote rode vegen in het gezicht zaten. Toen
arriveerden de familie en het stoffelijk overschot met koetsen en paarden ervoor. Het hoofd der
school had het voornemen gehad om de kist door enkele klasgenoten te laten binnendragen
maar toen hij onze rode clownsgezichten zag liet hij dat plan varen en beval ons opzij te gaan
staan en nadat iedereen de kerk was ingegaan mochten wij op de achterste banken
plaatsnemen. De andere dag gaf hij ons de wind van voren. Hoe wij het in ons hoofd haalden
zo naar een begrafenis te gaan. Terugdenkend aan dat voorval – waarop ik niet echt trots ben
geweest - moet ik erkennen dat zijn verbolgenheid volkomen terecht was . In vrijwel elke straat
was wel een straatfeest, en daar viel altijd wel wat te snoepen. Ik heb er maar weinig gemist.
Een enkele keer werd er wel eens achterdochtig gezegd dat ik daar niet woonde, maar dan zei
ik dat ik een evacué was, want zo duidde men ons in Groningen aan, en dan verdween het
wantrouwen meteen. De verjaardag van Prins Bernhard naderde en er zou een grote zanghulde
op de Grote Markt worden gebracht door de schooljeugd. Alle gangbare vaderlandse liederen
mochten weer gezongen worden. Maar na vijf jaren verbod waren er wel eens delen van de
teksten vergeten. Maar na dagelijks oefenen op school waren we op de zanghulde terdege
voorbereid. We zouden burgemeester Cort van der Linden wel eens even wat laten horen! Op
de vooravond van die dag werd er tijdens het avondeten gebeld en stond er een vrijwilligster van
het IKB voor de deur, die het bericht bracht dat ik de andere dag ’s morgens vroeg per auto
naar huis zou worden gebracht. In plaats van een feestdag in het vooruitzicht moest ik nu mijn
doos inpakken en vroeg naar bed. De vreugde om het komend weerzien met thuis was van een
geheel andere orde. In alle vroegte nam ik afscheid van oom, Mies en Herman. Nu bij vol daglicht
en inmiddels zeer vertrouwd. Tante en ik liepen samen door het nog slapende Groningen, op
weg naar de Poststraat, waar ook mijn verblijf in Groningen was aangevangen. In een
heel wat meer ontspannen sfeer werden de formaliteiten afgewerkt en mocht ik in een auto
klimmen. Het was een militaire truck, nu blijkbaar voor civiele doeleinden ingezet. Het was een
heel wat kleiner en meer overzichtelijk reisgezelschap. Enkelen herinnerde ik mij van de
heenreis. De truck reed de straat uit en we zwaaiden tot onze pleegouders uit het zicht waren.
De gesprekken onder elkaar in de truck gingen voornamelijk over onze ervaringen in de toch
nogal spannende periode die we in Groningen hadden doorgebracht. Een van de jongens
had een konijn gekregen en nam dit nu mee naar huis in een kistje met stro. Onderweg hadden
we meerdere malen motorpech. Er werd dan gestopt en we mochten dan even de auto
verlaten. De eerste keer was het euvel na een uur verholpen. De tweede stop was van langere
duur. Het was in de buurt van een bos waar mannen bezig waren met het plukken van
bosbessen, die ze met de Canadezen ruilden voor sigaretten, toen een zeer gangbaar
ruilmiddel. Enkelen hielpen de mannen bij het plukken maar toen hij zijn emmer vol had was er
niets meer te doen. En de blauwe handen van de bosbessen konden niet gewassen worden. We
hadden brood mee moeten nemen voor onderweg. ‘s Avonds zou er thuis gegeten kunnen
worden, maar de autopech gooide roet in het eten. De begeleider van het transport miste de
doortastendheid van de Leider van het transport op de heenweg en wist ons niets als
avondmaaltijd aan te bieden. De tocht verliep verder redelijk. We zagen onderweg dat het
wegennet nog niet in orde was. Er waren bruggen opgeblazen en er werd gebruik gemaakt
van een brug waarvan het brugdek op kleine bootjes rustte. Maar er was weinig drukte op
de wegen. Na Utrecht reed de auto nog maar stapvoets en verliet de autoweg en ging Gouda in.
Op de Markt in Gouda was een bus voor ons gecharterd waarin we overstapten. Vervolgens
werd het laatste deel van de reis afgelegd in een aanvaardbaar tempo. Er werd gevraagd of er
nog iemand op het Rijswijkseplein wilde uitstappen, want de bus reed naar het gebouw van het
Leger des Heils op de Prinsegracht. Mij kwam het Rijswijkseplein beter uit en ik maakte
gebruik van die mogelijkheid. Het was al donker geworden. Ik zette mijn doos op mijn
schouder en liep een aantal meters toen er een man op een fiets kwam die vroeg of hij mij kon
helpen. Van dat aanbod maakte ik graag gebruik. Hij zette de doos op zijn bagagedrager en
vroeg mij honderd uit. Toen we in de straat voor de huisdeur van het ouderlijk huis kwamen was
alles donker. Ik belde aan en na enig wachten zag ik vaag dat mijn vader had opengedaan. Hij
bedankte de bereidwillige man voor zijn hulp. De hereniging verliep in het donker want er waren
geen kaarsen meer overgebleven. Ik zag behalve vader en moeder en de twee broers van wie
ik bijna vier maanden eerder afscheid had genomen, ook de twee broers die behouden waren
teruggekeerd uit Duitsland waar zij gedwongen hadden moeten werken. Mijn vader sprak de
plechtige zin: “Nu is mijn gezin weer compleet.” Hij had het niet kernachtiger kunnen zeggen.
5 Reacties
Beste Heleen, ik heb je vraag voorgelegd aan mw. Hoogduin. Ze heeft de naam van je moeder niet kunnen vinden op de lijst, maar haar transport bestond ook vooral uit kinderen uit Rijswijk en directe omgeving. Ook heeft ze contact opgenomen met Frans Nieuwenhuis, auteur van 'Naar de boeren' (over de kindertransporten), maar die is tijdens zijn onderzoek ook geen namenlijsten tegengekomen. Omdat veel transporten via de kerk werden geregeld geeft hij als tip om te starten met (het archief van) de parochie of gemeente waar u moeder destijds toe behoorde. Het boek 'Naar de boeren!', mocht u het nog niet kennen, is overigens een aanrader. Succes!
Mijn moeder (Geertruida/Truus Vermeer) is ook met de Spes Mea of een andere boot vanuit Loosduinen (Ockenburgstraat 98) naar Friesland gegaan tijdens de Hongerwinter. Zij was toen 14 jaar. Heeft mevrouw Hoogduin een lijst met alle kinderen en staat mijn moeder daarop? Bij voorbaat hartelijk dank voor het informeren
Beste Jan, hier nog een update. Liesbeth Hoogduin was blij met uw reactie en heeft laten weten dat ze uw naam inderdaad heeft gevonden (met als adres de Hoornbruglaan in Rijswijk) op een overzicht met namen van kinderen die zijn meegereisd.
Beste Jan, bedankt voor je reactie. Ik zal Piet en Liesbeth Hoogduin (de laatste reisde met de Spes Mea) even attenderen op je bericht, dat vinden ze vast leuk.
Frappant: bij het zoeken naar de naam Spes Mea kwam ik op deze site terecht. Ik was aan boord van diezelfde reis, en kwam bij pleegouders in Olst terecht. De juiste data wist ik niet meer, wel dezelfde reiservaring! Kon met dit verhaal toch mijn geheugen opfrissen, waarvoor dank. Met vriendelijke groet, Jan Vleghert. (destijds 10 jaar)